Blog

Dertien is een heerlijke leeftijd. Je bent er, maar je bent er ook een beetje niet

“Mijn gelukspoppetje is weg!” Dochter schrikt ervan. Ze checkt nog een keer alle sleutels aan haar sleutelbos. Weg is-ie.
Ik vind een gelukspoppetje de moeite waard om eens flink naar te zoeken. Zoeken begint bij een analyse van waar je bent geweest en wat je hebt gedaan. Waar pakte je je sleutels? Waar legde je ze neer? Deed je ze in je zak? Dat zijn allemaal plekken om eens grondig na te speuren. Kleindochter van negen rent naar de auto, want daar zijn de sleutels het laatst gebruikt. Dochter zelf zoekt haar jaszakken na, gooit alle kussens van de bank en kijkt voor de tiende keer op het buffet in de keuken. Ik kijk in de wc en in de badkamer.
“Bij de computer!” Nee. Ook niet. Kleindochter heeft de auto nagekeken en omdat zowel haar moeder als haar oma, ik dus, denken dat ze dat niet goed heeft gedaan, gaan wij daar nog een keer kijken. Niks. Weer naar de keuken. Heb ik het per ongeluk in de la gegooid? “Kijk even! Die la rechtsboven!” Dochter grabbelt in de la waar ik alles ingooi wat niet echt een vaste plek heeft. Die la zit dus behoorlijk vol.

Wat zoeken jullie eigenlijk?” vraagt kleinzoon van dertien. Hij zit op de trap zijn schoenen aan te trekken. Dertien is een heerlijke leeftijd. Je bent er, maar je bent er ook een beetje niet. Je zit in je eigen wereldje, waarin je alles beter weet en waarin jij de controle hebt. Daar kom je liever niet uit. Pas als iedereen om je heen rent en draaft, ontwaak je een beetje. En dan vraag je wat ze doen.

“We zoeken het gelukspoppetje van je mam. Dat altijd aan haar sleutelbos hangt,” vertel ik.

“Het gelukspoppetje,” herhaalt de puber. Hij legt geen kritiek in zijn toon. Dat hoeft niet eens. Door het alleen maar te herhalen, zien we ineens heel duidelijk wat we aan het doen zijn. We rennen overal heen op zoek naar een poppetje van een centimeter groot. Exclusief het koordje van twee centimeter. Je koopt er tien voor twee euro en als je goed zoekt misschien wel twintig. Voor dat geld vouwen ze er in China ook nog een bamboe doosje omheen.

“Een gelukspoppetje. Dat wil je niet kwijt zijn,” zeg ik. Dat meen ik ook nog. Hij kijkt me aan. Kritisch, maar liefdevol. Zoals hij ook keek, toen hij bedankte voor mijn aanbod een trui voor hem te breien en me waarschuwde: “Je moet geen rare ouwe oma worden, hoor. Zo eentje die foute kersttruien breit.” Hij is me dus nu al een beetje aan het opvoeden. En de rest van de familie voed hij ook op, denk ik. Want hij zegt: “Als je je gelukspoppetje kwijtraakt, heb je het blijkbaar niet meer nodig.”

Lees hier het hele artikel 21-32 Marjan

Fotografie: @Marloes Bosch

Soms zet ik zelf iets op Facebook. Goedbedoeld. Nooit om iemand te kwetsen. Maar of lezers het ook altijd zo lezen…?

“Ik zit niet meer op Facebook,” zegt vriendin Greetje. Ze trekt er een vies gezicht bij en maakt een wegwerpgebaar. “Alleen maar boze mensen daar.” “Valt wel mee, toch?” probeer ik. Maar ik snap zo wat ze bedoelt. Ik lees het ook. De kritiek. De verontwaardiging. De woede.
De onkruidpagina die ik leuk vind, omdat ik van wilde planten houd, is een prachtig voorbeeld. Iemand plukt een paar paardenbloemen, zet ze op de foto en vraagt: ‘Heeft iemand dat recept voor paardebloemenhoning?’ Meteen vliegt daar iemand met gestrekt been in: ‘Waarom pluk jij die? Dat is voor de bijen! Heel slecht voor de natuur om ze te plukken. Laat alle paardebloemen staan!’

Nummer 3 merkt op: ‘Het is paardenbloemen. En paardenbloemenhoning. Als je niet kunt spellen, schrijf dan lekker niks.’

Nummer 4: ‘Hier is het recept. Mijn oma noemde het armeluishoning.’

Nummer 5: ‘Alleen maar suiker. Wat heeft dat met honing te maken?’

Nummer 6: ‘Mensen kunnen geen honing maken. Alleen bijen kunnen dat.’

Nummer 2: ‘Maar nu niet meer, want ze heeft alle paardebloemen geplukt.’

Nummer 3: ‘Paardennnnnnbloemen.’

Nummer 1: ‘Ik heb maar 50 gram geplukt. Voor één potje. Gezeik om niks.’

Nummer 2: ‘Als iedereen dat doet, hebben bestuivende insecten niets over.’

Nummer 7: ‘Ik zie de laatste tijd uitsluitend mensen die maar van alles uit de grond rukken en dan hier vragen wat het is. Neem een app, dan kan je het ter plekke uitzoeken. Of een boekje over wilde planten.’

Nummer 4: ‘Het is een soort gelei. Hartstikke leuk om te maken.’

Nummer 2: ‘Dankzij jullie gaat de wereld eraan. Ik hoop dat je er een allergische reactie van krijgt.’

Nummer 8: ‘Nogal kwetsend, die oma. Alsof arme mensen maar paardebloemen moeten vreten.’

Nummer 3: ‘Paardennnnnbloemen.’

Ik volg het. Grinnik erom. En tot voor kort zette ik er weleens iets aardigs bij. Tot een kennis, die overwintert in Spaans kustdorp, op Facebook schreef dat ze zo blij was dat Zeeman zich in haar dorp had gevestigd. Want daar koop je goedkope wol en daarmee breide ze babydekens met de breigroep van haar kerk. Ik schreef blij: ‘Geluk zit in kleine dingen!’ Waarop iemand reageerde met: ‘Hoezo dit neerbuigende commentaar?’

Soms zet ik zelf iets op Facebook. Goedbedoeld. Nooit om iemand te kwetsen. Maar of lezers het ook altijd zo lezen..? Lezen is niet zo makkelijk, soms.

Nummer 9: ‘O, dus jij beweert dat we niet kunnen lezen?’

Nummer 10: ‘Nee, we zijn dom. Veel dommer als haar.’

Nummer 3: ‘Dan zij.’

Ik: ‘Greetje heeft groot gelijk.’

Lees het hele artikel 21-30_31 Marjan

Fotografie: @Marloes Bosch

Ik hoor een kakelkreet en zie Helena boven de ringvaart vliegen. ‘Mijn kip!’ schreeuw ik. ‘Pak mijn kip!’

Eén kip. Eén haan. Die heb ik nog over nadat een geheimzinnig virus mijn kippenrijkdom aantastte. Helena, genoemd naar Helena van Troje die zó oogverblindend mooi was, dat daar in de oudheid enorme oorlogen om zijn gevoerd, en Coco. Kort voor Cocorico. En dat is dat weer Frans voor kukeleku. Zij stappen tezamen ongestoord door de tuin en pikken daar naar graantjes en sappige wormen.

Tot die ene dag dat Patrick zijn hond Muttley komt brengen voor een logeerpartij. Gezellig! We staan samen in de tuin te praten en Muttley huppelt over het gras als een koetje dat na een lange winter voor het eerst de wei in mag. Dan duikt ze tussen de hortensia’s. Ik hoor een kakelkreet en zie ineens Helena boven de ringvaart vliegen. Ze vliegt parallel met de damwand, houdt dat minstens een minuut dapper vol en landt dan in het water. Daar begint ze naar de kant te zwemmen en dan pas heb ik mijn stem terug.

“Mijn kip!” schreeuw ik. “Pat! Mijn kip! Pak mijn kip!”
“Waar?” vraagt Pat. Hem is het hele drama totaal ontgaan. Hij kijkt verbaasd om zich heen. Ik lig al op mijn buik over de damwand. Ik reik. Helena zwemt in mijn richting en dat doet ze verrassend snel. Nooit gedacht dat een kip zo kon zwemmen! Even aarzel ik. Moet ik nu die ringvaart in? Hoe zwem ik naar de kant met een kip in mijn armen? En hoe klim ik met Helena het zwemtrapje op? Ik strek me uit, pak haar bij de veren op haar rug en trek haar uit het water. Hebbes.

Daar sta ik. Op de damwand. Met Helena in mijn armen. “Kom er maar af,” zegt Pat behulpzaam.

De damwand is misschien veertig centimeter hoog. Normaal stap ik daar zo af. Maar ik ben zó van slag door het redden van Helena, dat ik naar mijn voeten kijk en probeer te bedenken hoe ik nu eerst die linkervoet laat zakken en dan die andere erbij. Ik ben verlamd door kippenliefde. Wat mijn hersenen al snappen, neemt mijn lijf nog niet over.

“Ik weet niet meer hoe,” zeg ik verbaasd.
We krijgen een handje. Helena en ik. Dan staan we weer op het gras. Ik kijk om me heen en roep meteen, nog steeds, of misschien opnieuw, in paniek: “Maar waar is mijn haan?!”
Ik vind Coco in de schuur, in de kippenren. Hij staat in alle rust te eten. Als ik Helena bij hem zet, eet ze meteen gezellig mee.
Wij eten ook, een uurtje later. Op het terras. Jan heeft gekookt.
Pulled chicken met couscous en een salade met mango.

“Lekker?” vraagt Jan. Ik knik en ik hoor het mezelf zeggen. “Ik ben dol op kip.”

Fotografie: @Marloes Bosch

Lees hier het hele artikel 21-29 Marjan

Niemand springt huppelend op zo’n tafel en legt met een gelukzalige zucht zijn knieën in van die beugels

“En jij schrijft al je halve leven voor een vrouwenblad,” zegt mijn dokter, enigszins bestraffend ergens aan mijn voeteneind. Of eigenlijk aan mijn knieëneind. Dat is geen woord, maar het is wel een betere plaatsbepaling. En daarmee is voor iedere vrouw mijn positie ook meteen duidelijk.

Ik haat dat soort onderzoeken. Nou ja, wie niet? Niemand springt huppelend op zo’n tafel en niemand legt met een gelukzalige zucht zijn knieën in van die beugels. Die zijn hier trouwens niet. Zijn die afgeschaft? Geen idee. Het was voor mij alweer een tijdje geleden dat ik zo’n onderzoek onderging. Degene die me onderzocht, ook een vrouw, merkt op dat je op dat gebied na een bepaalde leeftijd niet zo interessant meer bent. Je loopt minder op. Laat ik even voor mezelf spreken: ik loop geen risico op seksueel overdraagbare aandoeningen, want ik leef monogaam en Jan ook. Zegt-ie. En dat geloof ik, want liefde is altijd loslaten. Ik kan niet meer zwanger worden. Heb geen menstruatieklachten meer. Overgang is klaar, op een verdwaalde opvlieger na die redelijk te doen is. En na je zestigste krijg je geen oproep meer voor onderzoek naar baarmoederhalskanker. Klaar met die eendenbek.

“Maar dan moet je wel regelmatig de boel inspecteren. Met een spiegel. Een verandering is altijd een reden om naar een arts te gaan.” Aldus de vrouw bij mijn knieën.
Tja. Dat doe ik dus niet.

“Doe jij dat?” check ik later bij vriendinnen. Eentje wel. Maar die heeft al een keer iets akeligs meegemaakt en is superalert op haar lijf. Alle anderen niet. Net als ik.

“Onze generatie kijkt niet,” zeggen ze. Zijn we preuts? Nee. Dat zijn we niet. Ik loop zo in mijn blote kont een sauna in. En ik sta daar met vriendinnen onder de douche elkaars rug te scrubben. Op het strand trek ik mijn kleren uit en mijn badpak aan. Dat valt veel minder op dan al dat gehannes met een grote handdoek om je heen. Terwijl mijn kleinkinderen op school douchen in badkleding. Dus die preutsheid van mijn generatie valt wel mee. Maar tussen je benen kijken met een spiegel?

Ik krijg dus een verwijzing, want ik heb iets dat moet worden behandeld en dat niet meer overgaat. Ik ben er niet laat bij, maar ik had er beter eerder bij kunnen zijn. Ik bedoel maar.

“Ga ik er dood aan?” vraag ik meteen. Nee. Dat niet. “Maar het is wel zo serieus dat er een patiëntenvereniging voor is opgericht,” zegt de dokter. Ze zegt het zo bestraffend, dat ik niet durf aan te bieden om voor dat fonds te gaan collecteren. Ik beloof haar erover te schrijven. Eén goede raad: koop niet meteen een vergrotende spiegel. Ik moest daar een halve dag van bijkomen.

Lees hier het hele artikel 21-28 Marjan

Fotografie: @Marloes Bosch

Na een paar mails begrijp ik al dat je mailbox opruimen net zo ingewikkeld is als oude brieven weggooien

Opruimen. Het lijkt wel of de pandemie een golf van opruimwoede heeft veroorzaakt in mijn brein. Ik heb nooit eerder zo veel puingeruimd en ben ook nooit eerder zo veel bende tegengekomen.
Jan ruimt mee. Minder gefocust op laatjes dan ik, maar meer op papier en administratie. De grootste klap maakt hij met zijn mailbox.
“Ik heb al 973 mails met succes verwijderd.” Hij kijkt tevreden naar zijn scherm. En ik ben op slag jaloers.
Dus zit er maar één ding op. Zitten en ruimen. En uitkijken dat je niet te veel deletet. Want daar zit de kneep.
Na een paar mails al begrijp ik dat je mailbox opruimen bijna zo ingewikkeld is als oude brieven weggooien. Of foto’s opruimen. Al snel ben ik aan het lezen. En ergens bij mail nummer 83 is de mailwisseling zó bijzonder, dat ik hopeloos blijf steken. De mail dateert uit 2017. Een heel bijzondere schoonzoon schrijft dat zijn schoonmoeder plotseling heel ernstig ziek is geworden en vrijwel onmiddellijk zó slecht werd, dat ze is opgenomen in een hospice. Ik kan me voorstellen dat ze elkaar daar veel hebben gesproken, elkaar hebben vastgehouden, elkaar hebben getroost. Wat zal je het meest missen? Kwetsbare vraag die hij evengoed stelde en die maar aangeeft hoe hecht en open hun band was. Schoonmoeder vertelde hem dat ze het jammer vond dat ze nu niet wist hoe het verder zou gaan met Sanne. Want dat was net zo spannend.
Dus schrijft schoonzoon aan mij. Omdat ik Sanne schrijf en als enige weet hoe het verhaal verdergaat. ‘Kun je een samenvatting maken?’ vraagt hij. Want: ‘Ik doe er graag alles aan om dit voor haar mogelijk te maken.’
Ik lees de mailwisseling opnieuw vol ontroering. Je moet maar boffen met zo’n jongen. Ik vat Sanne samen. Ik mail. Wens er heel veel liefs bij en goeds en kracht en licht. En ik denk erbij: wat een familie. Zo vol zorg om elkaar. Zo vol aandacht en liefde.
Dan komt er weer een mail. Alles ging zo snel, vertelt hij. Te snel om de samenvatting voor te lezen. Maar: ‘Ik zal je mail uitprinten en bij haar in de kist stoppen.’
Er volgde een bijzonder afscheid. Mooi weer, mooie dienst en een mooi verhaal dat werd doorverteld aan iedereen en dat meeging op haar laatste reis. Ik lees, herlees, voel me ontroerd en blij tegelijk en zit maar naar die mail te staren.

“Je moet wegklikken, hè? Alles wat overbodig is!” raadt Jan aan. “Anders schiet het nooit op met die inbox!”
Hij heeft gelijk. Echt helemaal gelijk. Opruimen is goed voor een mens. Het maakt een hoofd leeg en geeft ruimte voor nieuwe avonturen. Maar soms moet je bewaren. En dat doe je met je hart.

Fotografie: @Marloes Bosch

Lees hier het hele blog 21-27 Marjan van den Berg

Natuurlijk ga je niet naar de dierenarts met een kip. We zitten hier op het platteland. En daar valt weleens een kip om

“Nu is Attica ook ziek.” Ik fluister het tegen Jan. Het begon allemaal bij Poulet, het blonde haantje. Die werd ineens wat minnetjes en lag op een treurige morgen dood in het hok. De kippen die hij anders altijd beschermde door zijn vleugels over hen heen te slaan, zaten boven op hem. Daarna werd Claudette ziek. Ik vond eerst nog dat ze zo lief werd, minder fel en pikkerig. Maar nu werd ze trager en meer aaibaar. Dat kwam natuurlijk doordat ze zich gewoon niet lekker voelde. Haar laatste nacht zat ze in een kartonnen doos in de werkkamer, met eten en drinken en stro. Ik heb haar geaaid en een liedje voor haar geneuried. De volgende ochtend was Jan als altijd het eerst beneden. Vlak voordat hij Bente zou uitlaten, riep ik heel laf vanuit de badkamer: “Liefie, heb jij al bij Claudetje durven kijken?”

En dat liefie riep terug: “Ja, schatje. Claudetje is er niet meer.”

Daarna werd Houdini ziek. Dat was eigenlijk altijd al een minkukel. Schriel typje, die Houdini. Ze ontsnapte uit het oude hok door de kleinste gaatjes en verdiende haar naam ten volle. En toen lag ze ineens slap tegen Attica aan, die haar een beetje warm probeerde te houden. De volgende dag was Houdini dood.
En nu begint Attica’s rode kammetje roze te kleuren. Ze voelt zich beroerd. Dat zie je zo. De enige die nog monter door de wereld stappen, zijn de zwarte haan Coco en de blonde Helena. Ik kan er niet van slapen.

Natuurlijk ga je niet naar een dierenarts met een kip. Dat zegt iedereen die ik om raad vraag. We zitten hier op het platteland. En daar valt weleens een kip om. Dat er bij mij meer dan gemiddeld omvallen, is beroerd. Maar om daar nu een dierendokter bij te roepen, is een beetje overdreven. Vindt men. Vind ik.
Maar daar verdwijnt mijn nachtelijk gepieker niet door. Dus ik bel toch.
We doen Attica in een kleine doos. En nemen Coco en Helena mee voor de zekerheid, want stel dat ze kunnen worden geprikt en dat alles dan in orde is! Ja stel?! Dus het gezonde koppel zit onder luid protest in een grote kartonnen doos op de achterbank.

“Ze zitten in een box van Hello Fresh,” besef ik ineens. “Verser kan niet,” zegt Jan.

Attica zit de hele rit stilletjes in haar doosje op mijn schoot. Deksel open. Aaitje.
Even later zegt de dierenarts: “Als ik de uitslag van de obductie heb, zal ik bellen. Dan weten we meteen wat het risico is voor de kippen die nu nog gezond zijn. Wilt u erbij blijven?”

Ja. Dat wil ik. Ik aai de kleine Attica tot het stil is.

Fotografie: @Marloes Bosch

lees hier het hele artikel 21-26 Marjan

In gedachten had ik het al stiekem besteld, dat vogeltje. Maar als je het cadeau krijgt, is het nóg leuker

“Voor je verjaardag krijg je een vogeltje,” belooft Jan. Ik had het stiekem al in gedachten besteld. Dat vogeltje. Maar als je het cadeau krijgt, is het nóg leuker. Waar wil ik hem? Daar. Boven het kleine raam dat uitkijkt op de vaart. Als ik aan tafel zit, kijk ik door dat raam naar buiten. Boven de omtimmering van het raam, op de witte muur, daar moet mijn vogeltje komen.

Rianne schildert vogeltjes in allerlei soorten en maten op muren. Ze woont bij ons aan de dijk en we vinden niet alleen haar vogeltjes leuk. Haar ook. Rianne is net zo mooi als de vogels die ze schildert; puur en breekbaar. En tegelijk sterk, vol onbedwingbare levensmoed. Het maakt niet uit wat je kiest. Een koolmeesje op een stopcontact. Een roodborstje boven het slaapkamerraam. Of een meerkoet, wijdbeens, op de kamermuur. Rianne schildert het voor je. Ik wil een mus. Een vrouwtje. Zo’n dikke die net uit een lekker zandbad komt en al haar veertjes nog heeft uitstaan.

Maar Jan moet eerst de muur nog witten. Of ik. Dat kan ook. Maar als ik zeg: ‘Ik ga die muur witten,’ dan lijkt het een verwijt. Heb je die muur nou nog niet geverfd? Zo krijg ik dat vogeltje natuurlijk nooit! Dus ik wit niet. Ik zeg niks. Ik hint af en toe. Hebben we nog genoeg muurverf? Ja? Fijn. Subtiel is het niet, dat geef ik toe. En het werkt ook nog eens voor geen meter. Wat wél werkt, zit diep in mij. Want elke keer als ik naar de plek kijk waar straks mijn mus komt, zie ik hem al. Nee, haar. Ik zie haar al zitten. Mijn lekkere mollige huismus. Dat voelt al heel tevreden. Blij.
Vol verwachting zelfs.
Maar het blijft een bevalling. Want als Jan eindelijk de muur heeft geschilderd en ook het plafond – ik kan mijn geluk niet op – is er door angst voor covid-19 veel uitstel. Rianne heeft ook nog een klein meisje op roze regenlaarsjes, dat door bezoek aan kinderdagverblijf veel, vaak en verdacht snottert. Dan zegt ze al die schilderafspraken maar weer af.

Eindelijk is ze er. Met acrylverf en kleine kwastjes en een palet. Ze staat op de eerste trede van ons keukentrapje en schildert heel behoedzaam, streekje voor streekje, mijn mus. De pootjes grijpen om de betimmering. Mus heeft een flauwe glimlach om haar snavel. En ik zit aan tafel en glimlach terug.

Die avond begint labrador Bente ineens te grommen. Ze staat op van haar kussen, loopt met haar nekharen overeind naar het raam en gaat daar verontwaardigd staan blaffen. Daar zit verdorie een mus! Kijk dan!
Dat verdient veel knuffels. Voor mijn volgende verjaardag wil ik een winterkoninkje.

Fotografie: Marloes Bosch

Ook zin in een vogeltje? Kijk op www.hallovogel.nl

21-25 Marjan

Ik ben in staat met iedereen te zoomen, behalve met één dochter die steeds gilt: ‘Ma!!!! Je staat op mute!’

“Ik stuur je nog een uitnodiging voor Zoom!” zegt de voorzitter van mijn vrouwennetwerk blij, vlak voor ze ophangt. Voorzitters houden van vergaderen. Dat snap ik wel een beetje. In vergaderingen kunnen ze mensen aanwijzen die klussen moeten opknappen. Die moeten dan in een volgende vergadering laten zien hoe ver ze zijn. En antwoord geven op de vraag waarom het nog niet af is. Dan kijkt zo’n voorzitter naar haar secretaris met een blik van: ‘Heb je dat goed genoteerd?’
Ik ben niet zo geschikt voor vergaderingen. Ik vind het meestal gezeur, het duurt te lang en bij de derde spreker al hoor ik herhalingen van meningen. Aan de vierde spreker krijg ik op slag een hekel, omdat ik die ervan verdenk alleen maar het woord te nemen om straks in de notulen te worden genoemd. (‘Voorts benadrukte Eva het belang van bladiebladiebla, zoals eerder aangestipt door Petra.’) Zonde van tijd en ruimte. Verspilling.
Dat vind ik het. En dan nu ook nog via Zoom.
Ik bel die voorzitter meteen terug, geef aan dat ik de hele ontwikkeling aan me voorbij laat gaan, omdat ik meen dat we straks gewoon weer in een gezellige omgeving kunnen gaan zitten met een interessante workshop toe, dus laat die Zoom maar zitten. “Hoelang zal het nog duren? Vast niet lang!” roep ik nog. “Ik hoop dat je gelijk hebt. Ik stuur evengoed een uitnodiging,” zegt de voorzitter.
De voorzitter blijkt over meer realiteitszin te beschikken dan ik. Iedereen blijft vergaderen via communities en mijn kleinkinderen zitten het grootste deel van hun schooltijd op een scherm naar juf en klasgenoten te kijken.
Ik begin me te voelen als het kleine dorp, waar Asterix en Obelix dapper weerstand bieden aan de Romeinen. Dus ik schrijf me in voor een cursus Zoom.
Meedoen aan Zoom is appeltje-eitje. Dat oefen ik voordat de cursus begint. Dat zal ook wel moeten, anders kun je die hele cursus niet volgen. Ik krijg een link en ik klik. Dat oefen ik meteen met anderen. Ik snap nu ook hoe ik een meeting kan hosten. Dus ik ben ver voor aanvang van de cursus in staat met iedereen te zoomen, behalve met één dochter die steeds gilt: ‘Ma!!!! Je staat op mute!’
Dan begint mijn cursus. Ik klik op de link, zie dat de link niet werkt, ga naar Zoom, vul het nummer in van de meeting en het bijbehorende wachtwoord en beland met drie andere deelnemers in de Zoomcursus.

“We wachten even, want de link werkt niet,” vertelt de Zoomjuf.

“Hoeveel moeten er nog komen?” vraagt een medecursist.

“Twintig in totaal. Er is een enorme storing bij Zoom,” zucht de juf.

Het duurt. Het duurt. De medecursist zegt: “Dat wij hier zitten, is al een diploma waard.”

Ik zeg niks. Ik sta op mute.

 

Fotografie: Marloes Bosch

 

21-24 Marjan