Blog

Buurman oppert dat je dat pijnlijke pootje ook kunt laten amputeren. Een hond is daar zó aan gewend

“Kijk in hemelsnaam uit met dat pootje!”
Wij hebben een hond met een been van zes miljoen. Nou ja, zo veel kostte het niet, maar we hadden er ook van naar de Bahama’s kunnen vliegen. Dat denk ik tenminste. Ik heb eigenlijk nooit opgezocht wat dat kost.
De hond, Bente heet ze, hinkte. Ze rende niet meer. Speelde niet meer. Snauwde andere honden af.
En ons ook, als we met onze beperkte anatomische kennis probeerden te lokaliseren waar ze pijn had. We puzzelden uit dat het haar knie moest zijn.
Dat sprak Jan aan. Hij geniet van een kunstknie die hem pijnvrije stappen levert. En hij weet maar al te goed wat Bente voelt. Zijn hart krimpt.
De dierenarts verwijst naar een kliniek. Fotootje maken maar.
“Wat kost dat?” vraag ik. Ik krijg meteen een blik waaruit ik concludeer dat dat een onfatsoenlijke vraag is. Maar ik wil er toch echt even nuchter over praten. Onze Bente is tien. Dat is niet jong. Fotootje is prima, maar dat levert haar niks op. Dat vertelt ons alleen wat we eraan zouden kunnen laten sleutelen. En dan kun je je net zo goed op voorhand afvragen of je dat wel wilt met een hond van tien jaar oud. Vind ik.
Dat vindt dus lang niet iedereen. Dat merk ik al snel. Jan staat er heel anders in. Een buurman oppert nog dat je dat pijnlijke pootje ook kunt laten amputeren. Stuk goedkoper en een hond is daar zó aan gewend. En een andere handige hondenbezitter stelt voor om Bentes achterstel vast te maken aan een karretje met zwenkwieltjes. Die wieltjes had hij nog wel in zijn schuur. Van een ouwe bureaustoel. Die mochten we wel hebben.

Daarna besloten we Bentes knie niet meer voor te leggen aan vreemden. We lieten foto’s maken en Jan zei al tijdens de bespreking ‘ja’ tegen de operatie. De dierenarts zou de afgescheurde kruisband weghalen en een stalen plaatje monteren, zodat die knie niet gaat wiebelen. Zoiets. Na begeleiding van de dierenfysio zou ze geen pijn meer hebben.

Dat klopt. Ze speelt weer. Rent weer. Is blij. Vindt alle hondjes aardig. Zó aardig, dat we haar voortdurend waarschuwen. Stel je voor dat die schroeven losgaan.
Ik zoek het voor de zekerheid toch een keertje op: twee weken Cookburn Town, San Salvador Island, Bahama’s, Club Med, all-in, met vliegreis voor twee personen valt ruim binnen het budget.

En toch kunnen die plaatjes van palmen en paradijselijk witte stranden niet op tegen dit: een blije spelende hond op de dijk langs de ringvaart.

Lees hier het artikel 20-11 Marjan

Als ik opsta, denk ik: ik heb vanaf nu wenkbrauwen. ’s Nachts, in de vaart, in de sauna, altijd! Blij!

‘Dat wil ik ook!’ Ik zeg dat vaak. Ik hoor iets grappigs, leuks, onverwachts. En denk dan meteen: ja, wil ik ook!
Meestal zakt het weg. Ik denk er beter over na. Laat het bezinken. Vraag me nut en noodzaak af. En besluit weloverwogen om het niet te doen. Maar dit. Tja… Kennisje had lijntjes laten tatoeëren boven haar ogen. Permanente mascara. Het zag er reuzebeschaafd uit. En toen zei ze: “Ze doen ook wenkbrauwen.” Bingo! Mijn generatie epileerde die tot dunne streepjes. Ik heb dat jarenlang zó fanatiek gedaan, dat ik nauwelijks iets over heb.

Er begint nog wel iets, maar het eindigt nergens. Als ik er niets bij teken, vind ik eigenlijk altijd dat ik twee kleine hitlersnorretjes boven mijn ogen heb. Dat is een onprettige gedachte, kan ik je vertellen. Dat bijtekenen gaat ook niet meer zonder slag of stoot. Want ik zie van dichtbij niet bijster veel. Zonder leesbril weet ik nauwelijks wat ik eet. Dus die wenkbrauwen moet ik ook een beetje op de gok zetten.
“Het is een actie,” vertelt kennis. Ook dat nog! In de aanbieding! Ik ben niet meer te houden. “Maar het is wel even schrikken. Want het is zo’n echte tattooshop.”
Kan mij het schelen. Ik wil ook.

“Iets met permanente make-up. Voor m’n wenkbrauwen,” zeg ik vaag tegen Jan. Want ik vind het allemaal wel heftig klinken. En zo ziet het er ook uit als ik arriveer. De baas heeft logischerwijs veel tattoovoorbeelden op zijn lijf en oren met ringen die je lellen oprekken. Hij heet Barry, stelt me totaal op m’n gemak en babbelt gezellig een eind weg. Hij volgt gewoon de vorm van m’n wenkbrauwen. Niet te dik. Niet te donker. Hij tatoeëert streepjes. Of het haartjes zijn.

“Het wordt echt mooi,” zegt hij nog maar eens, terwijl hij verdovende zalf op m’n wenkbrauwen smeert. Als dat is ingewerkt, begint hij. Het valt me reuze mee. Alleen moet ik na een minuut of tien ontzettend niezen. Barry stopt. En even voel ik een angstgolf door me heen gaan. Ik laat iets op mijn gezicht tatoeëren. Hij kan uitschieten. Ik ben gevaarlijk gek aan het worden.

Als ik van die stoel opsta, denk ik: ik heb vanaf nu wenkbrauwen! ’s Nachts, in de vaart, in de sauna, altijd! Blij! Ik rijd fluitend naar huis.
“Dat rode is bloed. Dat gaat dus nog weg. En de verf is nog wat donker. Dat wordt lichter. En het is opgezet, want geïrriteerd,” leg ik uit aan Jan.

Die kijkt zorgelijk.

“Heb je dat serieus laten tatoeëren?” vraagt hij. Ja dus. “Met zo’n naald?” Ja dus. Jan zwijgt.

Zeven dagen lang kijk ik elk halfuur in een spiegel. Het is een akelig onzekere periode. Maar uiteindelijk weet ik het zeker. Het ziet er hartstikke goed uit.

Lees het artikel hier 20-10 Marjan

Mijn kinderen kunnen oeverloos debatteren over het gevaar van wattenstaafjes voor zeeschildpadden

“Wat zit er in vredesnaam in die vuilniszak?”
Ik loop trappen af in het huis van mijn dochter. Die woont in Amsterdam. Tweehoog. En dat is in een oude Amsterdamse woning twee keer zo hoog als de nok van ons negentiende-eeuwse boerderijtje. Ik kom altijd licht buiten adem boven. Nu dalen we. Dat is minder zwaar. Behalve als dochter bedenkt dat we dan meteen even afval kunnen lozen in de container om de hoek. Dus zij twee vuilniszakken en ik eentje. Afdalen maar.

“Flessen,” zegt ze.
“Flessen?!”
“Er is hier geen glasbak.”
“Geen glasbak?”
“Toe nou maar, mam.” Ik krijg een zetje en een uitleg hoe dat werkt in de grote stad. Je mikt alles bij elkaar en dondert dat in zo’n ondergrondse container waar je een pasje voor hebt. Klaar. Geen plastic scheiden, geen papier apart, geen groen. Dat is allemaal geen doen als je zo veel trappen omhoog en omlaag moet. Van die enorme rolemmers, zoals in mijn dorp, heb je daar natuurlijk niet. Alles gaat in grijze vuilniszakken. Klaar is Kees. Slechts 12,4% van de Amsterdammers scheidt afval aan de bron, zoals ik. Ik vermoed dat die mensen in de buitenwijken wonen.

Ik kan geen flessen in een container mikken. Ik krijg het gewoon niet voor elkaar. Dus ik zet die rinkelende vuilniszak van haar in mijn auto en besluit die later te legen in de glasbak bij de supermarkt.

“En dat kun jij ook doen,” zeg ik haar. Ik heb kinderen die prachtig met hun ogen kunnen rollen. Maar ze doen verder wel hun best, zijn vrijwel vegetarisch, eten biologisch en kunnen oeverloos debatteren over het gevaar van wattenstaafjes voor neusgaten van zeeschildpadden. Op hun aanraden deed ik plastic rietjes in de ban. Zij volgden mij na door tomaten los in de boodschappenkar te leggen. Alleen voor sperzieboontjes pakken we nog een plastic zakje. We zijn op weg. We moeten wel. Want we gunnen mensen na ons ook nog heel veel moois om van te genieten. Maar dan moet je wel je afval scheiden. Dat is echt het minste, vind ik. Dus ik doe een Greta Thunbergje: “How dare you?!” Het is ook weleens fijn om vanuit de beschuldigde generatie terug te wijzen. Die kinderen moeten nu niet denken dat alles onze schuld is.

Twee dagen later belt ze me op voor een goed gesprek. Vertelt me dat ik zó gelijk heb. Dat ze bakken heeft gekocht. En dat ze haar auto gaat verkopen en voortaan alles met openbaar vervoer gaat doen. Dat ze dus niet meer bij me langs kan komen. Want op mijn dijk rijdt geen bus. En dat…

Al pratend ontstaat er een lijst van offers die we zullen moeten brengen om de aarde te redden. Er is nog een hoop te doen. Eerst maar eens met de auto naar de glasbak.

Lees het artikel 20-09 Marjan

De krakers dreigen het filmpje van mij naar mijn adreslijst te sturen. Tenzij ik € 1.650 betaal in bitcoins

 

‘We hebben uw wachtwoord’. Dat staat in de warrige mail die ik krijg. Slecht Engels, rommelige zinsopbouw. Toch schrik ik ervan. De adresregel bevat een wachtwoord dat ik vroeger veel gebruikte. En dat is een griezelig idee. Zelfs al gebruik ik het tegenwoordig alleen nog als ik hondenvoer bestel. Zo één keer in de twee maanden. Maar hoe dan ook, dat wachtwoord klopt. En de kraker van de dierenbenodigdhedenbestelsite vertelt me dat ze mij dankzij dat wachtwoord hebben gefilmd, terwijl ik zat te kijken naar pornosites. En dat die filmbeelden van mij behoorlijk schokkend waren. Daar kijk ik van op. Ik heb een computer zonder webcam, dus het lijkt me technisch ingewikkeld. Bovendien kijk ik niet naar porno. Ik kijk sowieso niet veel op mijn computer. We hebben een heerlijke tv, lekker groot. Dus waarom zou ik?
En porno boeit me niet. Meer vrouwen hebben dat, las ik laatst. Het is te expliciet. Het windt niet op. Al dat vlees en dat zweet en dat gekreun. Geef mij maar een palmenstrand en een ruisende azuurblauwe zee.
De krakers dreigen dat aanstootgevende filmpje van mij naar mijn adreslijst te sturen. Zodat al mijn goede vrienden getuige zijn van de capriolen die ik uithaal voor mijn computer. Ze sturen daarbij ook nog eens alle erotische foto’s die ze in mijn computer hebben gevonden. Tenzij ik binnen drie dagen € 1.650 betaal in bitcoins.

Het bericht is meer dan drie dagen oud, dus dat zou inmiddels moeten zijn gebeurd. Ik vraag aan Jan: “Heb jij erotische foto’s van mij gekregen?” Hij is meteen geïnteresseerd. Hoopvol vraagt hij: “Nee?” Ik laat hem de mail zien.

“Dat is me wat,” zegt Jan.
“Ja. Misschien moet ik toch eens erotische foto’s laten maken. Als ik nog tien jaar wacht, is het helemaal niet meer de moeite waard.”
“Steengoed idee,” vindt hij. “Zal ik ze maken?”

Boys will be boys. Al worden hun snorren al grijs. We zitten bejaard naar elkaar te glimlachen. Lang genoeg samen om zeker te weten dat er geen geheimen bewaard liggen in verborgen delen van harde schijven. Veilig. En saai.
“Waar is dat wachtwoord van?” vraagt hij.
“Van het hondenvoer.”
“Aanpassen maar,” raadt hij aan. “Straks bestellen ze een ton voer om je onder druk te zetten. Je weet maar nooit.”
Van dat argument ben ik op slag diep onder de indruk. Het idee! Een enorme vrachtwagen die de dijk op rijdt. Een achterklep laat zakken. En dan een ton hondenbrokken op je tuinpad stort. In het ergste geval als je hond buiten is. Die dan wordt bedolven. Of zich doodeet. Dat kan heel goed. Wij hebben een labrador.

Nu heb ik dus een ander hondenvoerwachtwoord. Erotische1650Fotos. Dat raden ze nooit.

20-08 Marjan

Met één oor luister ik naar mijn kind en mompel op de juiste momenten goeie teksten. Immer bemoedigend.

“Tuurlijk heb ik tijd, liefie!” Voor een dochter is er altijd tijd. Ik schuif alles opzij en luister. Meer hoef ik meestal niet te doen. Ze leggen van alles aan me voor en bedanken me uitvoerig. Dankzij mij kunnen ze een beslissing nemen. Denken ze. Dat is natuurlijk niet zo. Zo veel zeg ik niet. Af en toe gooi ik er tekst tussen als: ‘O ja, joh? Is dat zo? O, dat is lastig. Krijg je spijt als je het niet doet? Of als je het wel doet? Je kunt er altijd nog een nachtje over slapen, toch?’

Ik bel daar zelf nooit iemand voor op. Ik doe dat in mijn eentje. Maar wel hardop. Hardop denken levert inzichten die je zwijgend niet ontvangt. Om te voorkomen dat Jan denkt dat ik tegen hem praat, doe ik de monoloog meestal in de auto.

Jan zou onmiddellijk zeggen: ‘Nou, als ik jou was zou ik…’ Op advies zit ik niet te wachten. En mijn meiden ook niet.
Nu komt het telefoontje wel erg beroerd uit.

Ik moet over twintig minuten een podium op om iemand te interviewen en ik wil nog even mijn aantekeningen doornemen. Maar voor een dochter gaat alles aan de kant. Altijd. Ik doe met mijn linkeroog de aantekeningen en met mijn rechteroog de inhoud van mijn tas. Lippenstift. Waar is die? Poeder. Pen. Andere bril. Brilpoetsdoekje.

Met één oor luister ik naar mijn kind en mompel op de juiste momenten goeie teksten. Open. Spiegelend. Nimmer oordelend. Immer bemoedigend.

De volgorde van de vragenkaartjes moet anders. Dat zie ik nu pas. En ik wil dat ene feit nog even controleren op internet. Op mijn telefoon. Hoeveel tijd heb ik nog? “Hier is je koffie. Onze gast komt wat later. Vind je het erg als jullie pas kennismaken op het podium?” “Nee hoor, dat is prima,” zeg ik.

“Mam! Luister je wel? Dat is toch helemaal niet prima? Dat is juist super a-relaxed!” roept dochter door de telefoon.
“Neenee, ik heb het tegen iemand anders. Leg ik je later wel uit,” sus ik.

“O! Ik dacht al. Mam wordt oud! Wat een akelig idee. Nou, ik zei dus tegen die man….” Dochter vervolgt haar verhaal. En ik bedenk dat er ooit een dag zal komen dat ik in navolging van mijn oma een blik verf sta op te warmen, zodat Jan een lekker kopje soep heeft als hij thuiskomt, of mijn spiegelbeeld begroet met ‘Dag mevrouw’, zoals mijn moeder ooit deed.

Maar nu nog niet. Nu moet ik echt even op internet. Voor dat interview. En die dochter praat maar door. Onderwijl rommel ik in tassen en probeer door diep te ademen de vlaag van paniek te onderdrukken. Ik moet haar nu echt even onderbreken. Het moet! Dus ik hijg: “Liefie, ik ga je even ophangen! Ik moet even met twee handen kunnen zoeken, want ik ben verdorie mijn telefoon kwijt!”

Lees hier de column 20-07 Marjan

Uiteindelijk is het leven toch iets wat je overkomt,terwijl je plannen maakt voor iets anders

Je kunt tegenwoordig je eieren laten invriezen.
Ik schrijf met opzet: eieren. Als ik ‘eitjes’ optik, vind ik het ineens zo normaal klinken. Alsof je ze op een dag vindt. Ergens in de tuin. Verstopt achter een pluk vroege krokussen. O kijk: eitjes! En dat je ze dan in de vriezer mikt. Voor als het eigenlijk al herfst is in je leven. En je toch nog een kindje wilt.
Maar je vindt ze natuurlijk niet zomaar. Het is nog een heel gedoe. Hoe jonger de eicel, hoe beter.
Je moet er hormoonbehandelingen voor ondergaan en er zijn drie à vier behandelingen nodig voordat er tussen de twintig en 25 eitjes van je de vriezer in kunnen. Dat kost vierduizend euro per behandeling. Reken maar uit. Je betaalt verder jaarlijks voor het bevroren houden van je eitjes en als je besluit gebruik te maken van een eicel, betaal je ook de kosten van het bevruchten.

Ik ben moeder. Dat werd ik ver voordat deze ontwikkelingen zich voordeden. Ik hoefde er geen moment over na te denken. Ik ging gewoon snel het huis uit, omdat daar niet veel te beleven was. Daarvoor moest ik trouwen, dus die keus was ook gauw gemaakt. En omdat ik destijds bedacht dat ik een gezellig groot gezin wilde, raakte ik vrij snel zwanger van de eerste. Dan ook maar een tweede en een derde; kunnen ze leuk met elkaar spelen. Dat deden ze natuurlijk niet. Ze knokten elkaar de tent uit. En ik was ook helemaal niet zo’n leuke lieve opofferende moeder als ik me ooit voornam te zijn. Ik had een baan in het onderwijs en ontdekte mogelijkheden om me te ontwikkelen. Dus ik pakte er een studie bij op. En ging schrijven voor een regionaal dagblad. In plaats van knutselen en theedrinken met mijn kindjes.

Het idee dat ik ooit oma zou worden, sprak me totaal niet aan. Vriendinnen om me heen begonnen hun omaschap te bejubelen en ik werd daar keer op keer op slag chagrijnig van. Wat een overdreven gedoe! Ik zou ook nooit oma genoemd willen worden. Ouderwets woord vind ik dat.
Toen kreeg ik kleinzoon Seth. En kleindochter Sofie. Ik kan u verzekeren: kleinkinderen zijn geweldig. En ze noemen me gewoon oma. Doodsuf en antiek. Maar wel lief.
Dus denk ik nu weleens: stel je voor dat een dochter me op haar vijftigste meldt: ‘Ma! Je wordt weer oma! Ik had nog een ei in de vries en dat wordt me nu toch een gezellig kindje!’ Dan vind ik dat tegen die tijd vast helemaal prima. Uiteindelijk is het leven toch iets wat je overkomt, terwijl je plannen maakt voor iets anders.

Ik ga gewoon alvast breien. Babydekentjes.
Komen vast wel een keer van pas.

Lees hier het hele artikel 20-06 Marjan

Er komen flarden van zinnen langs in mijn hoofd. Stukjes afscheid van mensen die ik lief vind


“Misschien moeten we al onze vrienden wegdoen. Inruilen voor jonge vrienden.” Jan schiet in de lach.
“Ga nou maar,” zegt hij. “En rijd voorzichtig.”
Het begon met een simpel berichtje. Van Brigit. Ouwe vriendin. Nogal zonderling opgedoken, eigenlijk. Brigit is een oud-leerling van me uit de tijd dat ik met mijn leerlingen niet veel in leeftijd scheelde. Ik leende haar alle boeken uit die ze wilde lezen en las alles wat ze mij toeschoof. Je treft niet vaak fanatieke lezers op een vmbo. Dus die koester je. Je onthoudt hun naam en soms kom je ze later weer tegen. Als zij geen kind meer zijn en jij niet langer hun juf bent.

Brigit meldde me onlangs via Whatsapp: ‘Hey schat, ik krijg binnenkort een hartkatheterisatie omdat ik een verstopping heb ergens. Ze gaan dotteren of meteen doorpakken. Nu op rust.’ Ik stotter wat terug en begin elke vraag met ‘Jemig’. Ze is supermoe, schrijft ze.
‘Verroer dan even geen vin, hè?’ schrijf ik. En daarachteraan: ‘Engerd’.
Ik stuur haar een boek. Kan ze in alle rust lezen.
En ik stuur knuffels via de app. Voor haar en Ria, van wie zij houdt en van wie ik ook hou. En omdat we dat allemaal hardop schrijven, wordt het een behoorlijke kleffe conversatie.
Een paar dagen later krijg ik een verslag van haar eerste opname. Ze had een spastische ader die naar buiten werkte. Het zegt mij niks, maar het lijkt me wel wat voor haar. Dat vindt zij zelf ook. Ze hebben dus eerst iets geprobeerd via haar ene pols, daarna via de andere, zijn ermee gestopt en besloten de hele zaak in groot overleg te gooien. Brigit kon dat allemaal thuis afwachten.

‘Het klinkt gek, maar ik heb m’n begrafenis al geregeld,’ schrijft ze. ‘Muziek en zo.’
‘Ja, dat snap ik. Heb je mij ingepland als spreker?’

Het staat raar als ik lees wat ik schrijf. Maar als we toch aan het regelen zijn, kan dit er best bij. Ze tikt meteen terug: ‘Ja, dat zou ik fijn vinden.’
‘Ik kom het eerst wel op je oefenen, nu je nog leeft’, tik ik. Dat lijkt haar een steengoed idee. ‘Kom dan maar gauw’, schrijft ze. Het zorgelijke van die tekst zwakt ze af met een brede smiley. We grappen wat heen en weer. Zeggen nog een keer dat we van elkaar houden. Dan gaat ze slapen. Zo’n fladderend hart maakt moe.

Ik heb nog steeds geen speech geschreven. Maar vanaf dat moment komen er flarden van zinnen langs in mijn hoofd. Stukjes afscheid van mensen die ik lief vind. Die ik niet wil missen. Maar omdat inruilen van al die leuke bijzondere mensen niet echt een optie is, ga ik ze toespreken ver voordat ze mij verlaten. Nu ze nog leven. In het besef dat ik daar niet vaak genoeg dankbaar voor ben.
En ik begin bij Brigit.

Bekijk hier de pagina 20-05 Marjan

Hij verlangt naar toen zusters nog witte kappen droegen en fluisterden: ‘Zal ik uw kussen opschudden?’


“En als je dan in het ziekenhuis ligt, krijg je geen moment rust. Ratelende bedden op de gang, dan komt er weer een kar met brood de zaal op, dan is er weer bezoek dat eten meebrengt voor iemand die naast je ligt. Waar jij misselijk van wordt. Dokters, verplegers, alles rent maar rond. Kunnen jullie daar niet eens wat aan doen?” De man die de vraag stelt, kijkt me aan met een blik van: ‘Zeg eens dat ik geen gelijk heb…’ Om hem heen wordt instemmend gemompeld.
Maar het is een niet te beantwoorden vraag. Tenminste, niet op dit moment. Voor de zaal staan twee geriaters. Specialisten voor de ouder worden- de mens. Wat een kinderarts is voor kinderen, zijn zij voor bejaarden. En voor mij. Zij gaan over klachten gerelateerd aan ouderdom. Niet over de rust op de afdeling. Ik wandel door het publiek en koppel vragen door aan de artsen. Soms vat ik wat samen. Soms breid ik wat uit. Maar wat moet ik met deze vraag?
“U vindt dat er te veel herrie is in het ziekenhuis,” herhaal ik.
“Ja! Je kunt er niet herstellen,” moppert de man. In de ogen van deze man zie ik waar hij naar verlangt. Hij verlangt naar vroeger. Toen de zusters nog witte kappen droegen, over de gang liepen op spekzolen en je voerden met een klein lepeltje. Waarna ze fluisterden: “Zal ik uw kussens iets opschudden?”

“U zou willen slapen in het ziekenhuis,” voeg ik toe. “Ja. Natuurlijk! Anders knap je er echt niet van op!” zegt hij. De mensen om hem heen schieten in de lach. De meesten hebben het vast weleens meegemaakt. Dat je in het ziekenhuis lag en alle nachtelijke uren telde op de klok.

Ik herinner me heel goed de nacht na mijn heupoperatie. Ik had een klein naaldje in mijn bovenbeen waar ik morfine in kreeg. Sjonge, dat dommelde lekker. Maar dat naaldje vloog eruit bij het aankleden. Dus stelde een zuster voor dat maar zo te laten. “Het gaat toch super met je,” vond ze. “En je hoeft nog maar één nachtje.”

Maar ik mocht die morfine twee dagen! Dus ik zei: “Prik hem er maar weer in. Ik kick thuis wel af.” En ik doezelde me door een gelukzalige tweede nacht heen.

Opknappen? Ik besef ineens dat een ziekenhuis daar tegenwoordig niet voor is bedoeld. Wat doet een ziekenhuis? Het proces bestaat uit drie simpele stappen: Ze zorgen ervoor dat je het weer doet. Daarna monitoren ze of je het blijft doen. Zodra die verwachting gunstig is, schoppen ze je eruit. Dat zeg ik dus tegen de man. Dat hij dankbaar mag zijn dat ze je er tegenwoordig zo snel uitgooien. Zodat je in alle rust thuis kunt opknappen. Daarmee heb ik alle lachers op mijn hand.
Maar hem niet.

Bekijk hier de pagina20-03 Marjan