Blog

Van oma mag dat wel

Waren opa’s en oma’s er vroeger vooral voor de gezelligheid, nu hebben ze vaak vaste oppasdagen én opvoedkundige taken. En dat is óók voor de opa’s en oma’s zelf vaak best wennen, zo weet Marjan van den Berg uit ervaring.

“Vandaag mag ze geen snoep,” zegt mijn dochter. Mijn kleinkind staat er beteuterd bij. In haar hand heeft ze een snoepje uit mijn snoeppot. “Je had tegen oma moeten zeggen dat je straf had,” vervolgt dochter. Kleinkind kijkt bijna scheel van ellende. Straks dat snoepje moeten inleveren en dan ook nog eens publiekelijk aan de schandpaal. “Ja, vertel maar eens hoe brutaal je bent geweest!”

“Nou, dat hoeft niet hoor,” sus ik. Daarmee scoor ik een dankbare glimlach van mijn kleindochter en een boze blik van mijn dochter. Opvoeden. Oppassen. Oma zijn. En moeder. Het blijft een soort circusact. Jongleren met een heleboel ballen of dansen op een koord. Ik kan er niks van. En mijn dochter ook niet.

We passen elke donderdag op de ‘kindjes’. Zo noemen we ze sinds hun oprichting. Inmiddels zijn ze acht en twaalf, dus hard op weg om een respectabelere benaming te verdienen. Maar kindjes klinkt zo leuk. En we behandelen ze ook zo. We halen ze op van school, kopen even snel een zwem broek, omdat kleinzoon de volgende dag een waterfeest heeft, laten ze lekker doen waar ze zin in hebben en ze mogen een snoepje. Wel twee. Soms drie.

‘Oma, mogen wij een vijver graven in het grasveld? Mogen we een portret schilderen? Mogen we op de computer/ iPad/Youtubefilmpjes kijken?’ Ja. Dat mag allemaal. Zelfs die vijver, want na een paar keer scheppen komen ze erach ter dat je niet zomaar even een gat graaft in een gazon, dus daar zijn ze al snel klaar mee. Intussen maken wij oma’s geheime pastasaus (met heel veel groente en dan even de blender erin, zodat je geen rare stukjes tegenkomt) en de populaire komkommersla (daar zit een enorme schep suiker in).

We zijn een lieve opa en oma. Oma scheldt weleens en zegt soms rare woorden, maar dan moppert opa op haar en zo is alles in evenwicht.

Aan het eind van de middag komt hun mama uit haar werk. We eten met z’n allen en daarna neemt ze de kinderen mee naar huis. Tussendoor voedt ze nog even wat op. “Het is jullie mama. Daar moet je naar luisteren,” zeg ik dan vals. Want van oma, van mij dus, hoeft er helemaal niks. Van mama wel. Eten met mes en vork, twee handen boven tafel en een limiet aan schermtijd.
“Hoe lang zitten ze al op die iPad?” vraagt ze vol argwaan. “O, net,” antwoord ik zonder een spier te vertrekken. Waardoor ik die kinderen ook nog eens leer liegen alsof het gedrukt staat. Maar oma’s mogen dat.

Oma Dineke, die ik al jaren ken als supermoeder en sinds een paar jaar ook als superoma, ergert zich juist een pukkel aan het ontbreken van een afspraak over schermtijd. Zij past elke woensdagmiddag en elke vrijdagmiddag op twee kleinkinderen van vier en zes. Die mogen onbeperkt op hun iPad. “Ze hebben er allebéí één!” vertelt ze vol afgrijzen. “Ik probeer weleens iets met ze te knutselen aan tafel. Met schaar en plakband en papier. Of macaroni verven en dan rijgen tot een ketting. Laatst heb ik snot met ze gemaakt. Met scheerschuim, lenzenvloeistof en lijm. Vinden ze niks aan. Ze willen op hun iPad.”

Zelfs onder het eten liggen er schermen naast de borden. Zoon en schoondochter houden hun mobiel paraat. “Dat moet. Vanwege de zaak,” vergoelijkt ze. Zoon runt met schoondochter een bloeiende makelaardij en zoiets staat niet stil na zessen. Terwijl zoon een deal sluit met een koper wordt zijn gehaktbal koud en tijdens de aardbeien met vanillevla beantwoordt hij de laatste mail.
Kun je daar iets van zeggen? Nee. Daar kun je niks van zeggen. Dineke herhaalt alle argumenten van zoon en schoon dochter in rap tempo: ‘Je begrijpt gewoon niet hoe dat tegenwoordig werkt, mam.’ ‘Het is een andere wereld dan die van jou.’ ‘Er rijdt geen postkoets meer met een brief die er twee weken over doet om te arriveren op het juiste adres.’ ‘Het moet snel. Sneller. Snelst.’ ‘Het succes is voor degene die het eerst reageert.’ ‘Wie te laat is, verliest.’ ‘Sorry.’ Dineke zucht. “En dan pakken ze die kinderen in en rijden ze naar huis. Ze zwaaien nog wel. ‘Dag oma! Tot vrijdag!’ en daarna kijken ze weer op hun schermpje. Want die zitten in de auto. Daarop kijken ze film, geloof ik.”

Voorbeeldig gezin. Hoewel…

Brigit past elke maandag op haar vier kleinkinderen, samen met haar man Wiebe. Ze halen ze op van school en daarna begint het heen en weer brengen naar voetbal, turnen, drumles en ballet. “Mijn zoon en mijn schoondochter doen het eigenlijk hartstikke goed. Afhankelijk van hun eigen persoonlijkheid. Dat wel. Ze zijn nogal aanwezig, laat ik het zo zeggen. Als ze thuiskomen, draait ineens de hele wereld om hen. Dan gaat de muziek hard en eisen ze alle aandacht op. Terwijl ik denk: het gaat om je kinderen! Maar mij hoor je niet. Ik durf er niks van te zeggen. Ik moet gewoon mijn eigen verwachtingspatroon bijstellen. Elke keer weer. Dat is het.” Ze rolt met haar ogen, terwijl ze het zegt. Want Brigit verwacht veel. En vaak. Dan stelt ze weer voor om gezellig een huisje te huren op een Waddeneiland. Dan wil ze weer een week naar een vakantiepark met een avonturenzwembad. Ze geniet ervan om met kinderen en kleinkinderen op pad te gaan. In harmonie. Dat lukt maar zelden.

“Die zoon en die schoondochter leven hun eigen leven, in mijn ogen. Ze besteden uren aan hun social media, waar ze prachtige plaatjes posten van een ideale papa en mama met voorbeeldige kindjes. Maar eigenlijk is dat allemaal nep. Vijf minuten is al lang genoeg voor een selfie, toch?” Ze schrikt van haar eigen woorden.
“Nou ja, zo erg is het ook weer niet, hoor. Het is dat je ernaar vraagt. Laatst zaten we nog een nachtje in het Eftelinghotel. Maar ze willen niet meer met z’n allen op wintersport. Ik laat Wiebe meestal bemiddelen, als ik boos ben. Of teleurgesteld, omdat ik alweer moest bijstellen.” Ze lacht er spottend bij. Ze laat Wiebe tegenwoordig trouwens altijd bellen. Want als zij belt, neemt haar zoon op met: ‘Ja? Wat nu weer?’ Tot nu toe praten ze alles uit, zegt ze. En er is gelukkig een uitlaatklep. Want: “Ik gebruik al mijn frustratie voor liefdevolle, doch eerlijke, kritische sinterklaasgedichten!”

Volgzame generatie

Vera past veel op. Geen vaste tijden, maar wel heel regelmatig. “Ik breng vaak de jongens naar school, gewoon omdat ik het zo leuk vind,” zegt ze. “De oudste is alweer vijf. Het gaat allemaal zo snel.” De jongste van drie zet ze af op de peuterzaal. “Daar hebben ze tot nu toe nog niet gevraagd naar de inentingen.” Ze kijkt er bezorgd bij. Het is een regelmatig weerkerend onderwerp in de gesprekken met haar dochter. Want die heeft besloten haar kinderen niet te laten vaccineren. En daar is oma Vera het niet mee eens. “Het zou mij wel uitkomen als alle kinderdagverblijven het verplicht stelden. Dan moet ze wel. Toch? Maar nu houdt ze zich vast aan de argumenten van de anti-vaxxers. Je moet er toch niet aan denken dat hier een uitbraak van polio komt?”

Vera en ik hebben er al vaker over gepraat. Ze staat er door alle argumenten van haar dochter genuanceerder in dan ik. Want ik vind dat je beter kunt voorkomen dan genezen. Vooral omdat er in veel gevallen geen genezen aan is. Dus inenten. Klaar. Vera vindt dat er misschien te jong wordt geënt. Dat je een baby nog even moet ontzien. En daarna in elk geval tetanus. Zodra ze gaan kruipen. Zo heeft ze een heel stappenplan in haar hoofd om haar kleinzoons te beschermen.

“Maar dat ga ik ook weer niet elke keer aan mijn dochter voorleggen. Dat zou haar van me afstoten. Dan denkt ze: daar heb je mijn ma weer met haar gezeur over die inentingen.”

“Hebben wij het dan vroeger zo verkeerd gedaan? Dat we onze kinderen hebben laten inenten zonder ons af te vragen of het kwaad kon?” vraag ik me hardop af. Vera vindt van niet. Haar dochter is het met haar eens. Maar die laatste vindt wel dat onze generatie volgzaam was. Gezagsgetrouw. Kritiekloos. Slecht voorgelicht ook. Ze zegt nog net niet dat we dom waren, maar als ik nu lang genoeg zwijg, gebruikt ze dat woord misschien ook wel. Als haar dochter weg is, kijken Vera en ik elkaar aan.
“Waarom zijn we zo voorzichtig met onze kinderen? Zijn we nog steeds volgzaam? Luisteren we nu naar hen?” vraag ik me af.

“We willen ze niet kwijt. Dus accepteren we alles,” antwoordt Vera.

“Ik zeg altijd precies wat ik vind,” vertelt Fien, oma van een kleindochter van tien. “En ik vind dat die moeder er een zootje van maakt. Die brengt angst over op dat kind. Want ze mag niks! Ze mag niet vies worden, de hond mag haar geen likje geven, ze mag niet in de boot zonder zwemvest, alles is eng.” Die moeder is haar schoondochter. Fien heeft een ontzettende hekel aan haar en dat is wederzijds, want op de vraag of ze op haar kleindochter past, antwoordt ze fel: “Nee. Ze mag niet bij oma. Als ik bij hen op bezoek ben, gaat dat kind met een grote boog om me heen. Geïndoctrineerd door haar moeder. Ik heb haar als baby welgeteld één keer vastgehouden. Eén keer.” Haar zoon komt haar weleens ophalen, met zijn dochter. Dan gaan ze met z’n drieën naar een zwembad. Dat is wel leuk, vindt Fien. Maar ook raar. Want dat mag die schoondochter niet weten. Op de terugweg van het zwembad zat haar kleindochter op de

achterbank te facetimen met haar moeder. ‘Waarom zit je niet naast papa?’ wilde haar moeder weten. Waarop het kind antwoordde: ‘Ik wilde graag achter in de auto, want dan kan ik even liggen. Ik ben zo moe.’ Onderwijl legde Fiens zoon achter het stuur zijn vinger op zijn lippen en zei: ‘Ssssst.’ “Dus dan moet dat kind liegen,” vertelt Fien verontwaardigd. “Omdat ik in de auto zit. Nou, als ik die moeder vandaag of morgen ergens tegenkom, zal ik haar eens zeggen wat ik daarvan denk!”

Fien is het extreme voorbeeld van de oma die geen blad voor de mond neemt, geen verwachtingspatroon bijstelt en gewoon vertelt wat ze van de opvoeding van haar kleinkind vindt. En van de opvoeders ook. Met als gevolg dat ze dat kleinkind maar heel af en toe ziet. En nooit ontspannen. Nooit leuk.

Komkommersalade!

“Ze zei iets heel brutaals tegen mij. Dat heb ik ook ooit tegen jou gezegd, mam,” vertelt mijn dochter. Mijn kleindochter staat erbij en kijkt beteuterd. “Kutwijf?” vraag ik. Nu kijkt iedereen me geschrokken aan. Nou nee, het was wel erg, maar zo erg was het niet. Ik buig me naar mijn kleindochter en vertel, geheel naar waarheid: “Jouw moeder zei ooit ‘kutwijf’ tegen mij. Dat was heel erg. Ik heb haar meteen een slag voor haar harses verkocht. Dat was minstens zo erg. Daar schaam ik me nog steeds voor. En daar heb ik al mijn hele leven spijt van.” Mijn kleindochter knikt vol begrip. Dat kan ze zich voorstellen. Wat een verhaal, zeg. Mijn dochter kijkt me verrast aan.

“Had je echt spijt? Dat heb je me nooit verteld!”
“Echt niet?”
“Nee!”

“Nou, het speet me echt. Nog steeds.” En tegen kleindochter: “Als je zo’n lelijk woord denkt, moet je diep ademhalen. Heel diep. En dan zeg je iets heel anders. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind je best lief, maar nu even niet.’ Of je zegt: ‘Eenhoorn!’ Of: ‘Komkommersalade!’” Kleindochter lacht en eet in het onbewaakte moment haar snoepje op.
Opvoeden. Oma zijn. Moeder zijn.
We kunnen er allebei niks van, mijn dochter en ik. Maar we doen wel vreselijk ons best.

De namen van de oma’s zijn gefingeerd.

 

 

 

Eenzaamheid is niet afhankelijk van het aantal mensen om je heen, maar van verbondenheid

Een man. Een hond. Drie kippen. Drie kinderen. Drie kleinkinderen. Leuke buren, vrienden, vriendinnen. Eenzaam? Je zou bijna zeggen: wat is dat?! Als ik me bij de feiten houd, zou er op geen enkel punt in mijn leven reden zijn geweest me eenzaam te voelen. Bovendien is mijn eigenheimer-gehalte enorm hoog en dat beschermt lekker. Maar daar heb ik dan ook jaren en jaren aan gebouwd.

Jarenlang hing een spreuk van Seneca op mijn prikbord. ‘Geluk is jezelf genoeg zijn’. De filosoof schreef het rond het jaar 0. Ik werd rustig van die spreuk. Keerde op slag in mezelf terug, als ik daarbuiten een golf van onrust voelde aankomen. Bijna als de kippen die onder hun hok duiken, zodra de hond bij ze komt buurten.

De spreuk hangt er al lang niet meer. Hij is opgeslagen in mijn systeem.
Ik leef ermee en ben dankzij deze basis een blije eigenheimer die zijn eigen gang gaat en wel verbonden is met anderen, maar niet afhankelijk van ze is. Dat voelt prettig.
Maar eigenheimers als ik zijn niet zomaar aan het bouwen geslagen.
Ik weet maar al te goed wat eenzaamheid is. Hoe het is om je niet ten diepste verbonden te voelen met anderen. Terwijl je daar wel naar hunkert. Mijn gevoel van eenzaamheid was het meest overweldigend toen ik jong was. Veel jonger dan nu. In de tijd dat ik het loeidruk had met drie kleine kinderen, een huishouden, baan, depressieve vader en demente moeder in een verpleeghuis. Juist toen voelde ik me verschrikkelijk eenzaam. Eenzaamheid is niet afhankelijk van het aantal mensen om je heen. Eenzaamheid is afhankelijk van verbondenheid. Het helpt enorm als je kunt uitspreken wat je voelt. En als een ander je hoort.

Ik zal nooit vergeten wat een vriendin me ooit vertelde. Nadat haar moeder was overleden, reed ze naar het strand. Het regende en het stormde. Ze liep langs de vloedlijn en schreeuwde tegen de zee. Heel hard. Heel lang. Regenwater en tranen liepen over haar wangen. Ze zei: ‘Ik voelde me op slag zo in de steek gelaten door haar dood. Zo eenzaam. Dat schreeuwen hielp enorm. Maar het helpt me nog meer als ik het aan mensen vertel die naar me willen luisteren. Dan krijg ik die verbondenheid een beetje terug en wordt mijn gevoel van eenzaamheid heel langzaam minder.’

Ik ben vanuit eenzaamheid gegroeid naar eigenheimer. En een eigenheimer als ik kan heel goed luisteren. Zodat een ander zich gehoord voelt. Hoe gaaf is dat? Hoog tijd om me op te geven als Belbuddy.

En jij? Bellen? Gebeld worden? Het kan allemaal. Verbinden helpt echt.

Ook vrijwilliger worden van de Luisterlijn?
Meld je aan via De Luisterlijn vrijwilliger

Of lees het hele artikel hier

‘Ik wil dolgraag kippen,’ kreun ik tegen mijn dochter. ‘Kip in het pannetje. Heerlijk,’ zegt Jan

 

“Ik heb een broedmachine gehuurd. Ik broed nu tien kippeneieren uit!”
Dat zei oudste dochter een paar maanden geleden. Jan schudt meteen zijn wijze hoofd en teletransporteert alle bezwaren die verstandige mensen daartegen kunnen bedenken in mijn hoofd. Wat moet je met tien kippen driehoog in Amsterdam?
Er komen drie eitjes uit. Cochinkrieltjes. Die al snel uit de broedbak klimmen en moeten verhuizen naar iemand met meer ruimte. Ze gaan naar vriend van dochter, in bezit van een postzegeltuin. Wij krijgen filmpjes te zien van drie babykippen die achter haar aan rennen als ze over het gras loopt. Als ze ‘Kip,kip,kip’ zegt, houden ze hun koppies schuin en praten ze terug. Een zacht, zoet klokkend geluid.

“Ik wil dolgraag kippen,” kreun ik tegen haar. “Ja. Weet ik,” zegt ze.

Er volgt een charmeoffensief van maanden. Cochinkrieltjes krabben de planten niet uit je tuin. Dat kunnen ze helemaal niet, met die veren aan hun voeten. Ze eten piespotten die de hortensia’s overwoekeren. En blauwe muntkevers. Ze zijn superintelligent. Ze zijn zo leuk. En tam. Handtam! Kijk dan, Jan!

“Kip in het pannetje. Heerlijk,” zegt Jan.

Op een dag komt dochter met een gehuurde transport bus voor de deur. Daarin staat een enorm roze kippenhok. “Mag het zolang in de schuur?” “Natuurlijk!” Dat ben ik. Jan zwijgt. Het roze hok vult de halve schuur en wat Jan daar ook van plan was, het kan voorlopig niet doorgaan. “Maar als ik er plaats voor heb, kom ik het hok  meteen halen!” belooft ze. Dat komt er maar niet van. De opgestuurde kippenfilmpjes worden elke week leuker. Er is een zwarte haan en een zwarte en een blonde kip. Ze doen hun ogen dicht als je ze kroelt.

“Mogen ze deze vakantie wel een paar daagjes bij jullie logeren?”
Mijn standaard reactie: “Natuurlijk!” Jan zwijgt weer. Dat doet hij ook nog als er een schilderploeg wordt samengesteld van kinderen en grote mensen die op een zondagmiddag het roze hok overschilderen met witte en groene verf, in dezelfde kleuren als ons huis. “Want stel je nu voor dat jullie er erg aan gehecht raken tijdens de logeerpartij?” zegt dochter. Jan verft niet mee. Maar hij haalt wel heel zorgzaam de verf uit mijn haar als er een pas geschilderde kippentrap tegen m’n hoofd valt.
We houden de honden een paar daagjes binnen. Want voorlopig zitten die kippen nog in een heel klein hokje. Ze springen zo hun rennetje uit en scharrelen de hele tuin door. En het grote hok is nog niet goed droog. Voordat we straks gaan shoppen voor tuinpalen en volièregaas om een ren te bouwen, doe ik nog snel de kippenvoordeur voor de tweede keer. Ik laat het Jan zien. Een rode deur. Zelfde kleur als onze eigen voordeur. En dan is er een doorbraak. Hij glimlacht.

20-41 Marjan

Ik zou kunnen demonstreren. Ik zou ook kunnen aanvaarden dat het nooit wordt zoals ik droom

“We kunnen hier een waardevolle les uit trekken,” zegt de man die op anderhalve meter afstand toekijkt hoe ik de rand van de dijk bewater.
Die rand heb ik ingezaaid. Vol zaad van wilde bloemen voor bijen en vlinders. Vorig jaar verzamelden we zaad van uitgebloeide bloemen die de gemeente had ingezaaid in de bermen van het dorp naast ons. Ik had er nog wat raadsleden over gemaild, maar kreeg nul op ’t rekest. De gemeente bepaalde met doe-teams waar het zaad kwam en ik kon niet op eigen initiatief een zakje zaad van ze krijgen. Kopen dan? Op dat verzoek kreeg ik niet eens meer antwoord. Dus stapten buurvrouw Riet en ik na elk bezoek aan de sportschool even uit bij de wildebloemenberm en daar verzamelden we zaad. Dat was dus 2019. Toen je nog zonder afspraak naar de sportschool mocht.

Nu is het 2020. Het jaar waaruit we lessen moeten trekken. Ik zeg niks tegen die man. Ik knik niet aanmoedigend, trek m’n wenkbrauwen niet op, ik doe helemaal niks. Want ik weet nu al dat dit een man is met een missie. Hij zal me al die waardevolle lessen uitgebreid uit de doeken doen. Tot de allerlaatste wijze regel. De pomp loopt, ik beregen vol aandacht het ontkiemde zaad met water uit de vaart en wacht af.

Daar gaat-ie. Milieu (heb ik wel gezien hoe blauw de lucht is? Daar is een wetenschappelijke verklaring voor. Die legt hij nu uit. Uitvoerig.), nieuwe waarden (en normen en tijd voor respect en tolerantie of iets in die geest), aandacht voor het gezin (hij heeft Mens-erger-je-niet herontdekt en moet daar zelf erg om lachen terwijl ik snel een herinnering wegdruk aan een vuist op een speelbord, lelijke woorden en poppetjes die door de kamer vliegen), inkeer (geestelijke verdieping waarvan hij zegt: ‘Ik stip het maar even snel aan.’), mindfullness en meditatie. Er is nog meer. Maar ik raak ergens de levenslesdraad kwijt, want er komt een knik in de tuinslang, die ik snel moet ontvouwen.

Hij sluit af met: “En de aarde raakt natuurlijk overbevolkt. Er zijn gewoon te veel mensen.” Ik denk dat hij daar een punt heeft. Op deze dijk is er zeker één te veel. Ik haal opgelucht adem als hij vertrekt.
Wat ik van dit virus heb geleerd? Dat de wereld geen rechtvaardige plek is en dat neuzen nooit dezelfde kant op gaan, zelfs niet als we als mensheid in ons bestaan worden bedreigd. Maar wat doe je met zo’n les?
Ik zou kunnen demonstreren. Met een groot wit laken met daarop: ‘Een oplossing vind je samen’. Ik zou ook m’n schouders kunnen ophalen en aanvaarden dat het is zoals het is en nooit wordt zoals ik droom.
Of misschien iets daartussenin. Strijdbaar in lijdzaamheid. Wilde bloemen zaaien. Veel wilde bloemen voor bijen en vlinders.

Lees hier het hele artikel 20-40 Marjan

Wil ik honderd worden met een ontbijt van rauwe bieten of beleg ik nu een beschuitje met graskaas?

“Als je wat gaat mankeren, heb je het aan jezelf te wijten,” zegt de gezondheidsfreak bij wie ik een kruidenthee drink. Haar boodschap is simpel. Wat is je cholesterol? Hoe hoog is je bloeddruk? Testen, mensen. Doe je dat niet en leef je er maar een beetje op los, dan is het je eigen schuld als je wat gaat mankeren.

Ze freakt niet als enige in mijn omgeving. De freaks rukken op en ik word er langzamerhand chagrijnig van. Ik test mijn bloeddruk niet. Mijn cholesterol? Geen idee. Ik doe het dus helemaal niet goed. Ik houd van een goed glas wijn. En ik vind alles lekker. Echt alles. Ook spruitjes. Ik sport te weinig. Ik heb overgewicht. Licht. Maar toch. Ik weeg al jaren geen 65 kilo meer en ik heb geen maat 36. Ik heb maat 40 en als ik wil dat de stof om me heen wappert, heb ik maat 42.

In mijn omgeving zit een freak die gezondheid echt het allerbelangrijkst vindt van de hele wereld. Ze zit aan de rawfoods (rauwe cacaoknabbels, zeewierrepen en lijnzaadkorrels, waaruit ik ineens concludeer dat ik toch niet alles lust), aan de voedingssupplementen (een hele batterij potjes met pillen en poeders en toevoegingen) en ze houdt alles bij. In een boekje. Een heel natuurlijk boekje met een omslag van jute, waarin ze elke dag haar bloeddruk noteert.
Ik wil zo’n boekje niet. En zo’n meter heb ik al. Maar die gebruik ik niet. Als ik er alleen maar aan denk, begint mijn bloeddruk al te stijgen. Dan maken mijn hersenen een razendsnelle overweging: wil ik honderd worden met een ontbijt van rauwe bieten of beleg ik nu een beschuitje met graskaas?
Ik wil wel gezond. Maar ik wil geen gedoe.

“Je zou moeten zwemmen. Zo goed voor je!” zegt de zoveelste freak, met een jaloerse blik op de vaart naast mijn huis. Dat neem ik me van tijd tot tijd ook voor. Meestal op warme dagen, als ik erin duik en totaal verfrist weer via de zwemtrap het terras op klim. Dit ga ik elke dag doen, weet ik dan zeker. Elke dag. Het hele jaar door. Bij de eerste regenbui bedenk ik dat het morgen ook kan. Of overmorgen. En mijn haar zit vandaag net een keer bijna goed. Om dat nu te verpesten door dat slootwater…

“Maar als je dan straks enge aandoeningen aan je darmen krijgt, mag je ook niet klagen, hè?” zegt freak nummer zoveel tijdens een lunch waar zij een glutenvrije salade heeft besteld en ik nog twijfel over twee kroketten met brood. “Er komt een moment dat de zorgverzekeraar geen kosten meer vergoedt voor mensen die vet eten. Of suiker.”

Word je ziek? Eigen schuld. Hartinfarct? Eigen schuld. Darmaandoening? Eigen schuld. Stomme kennissen? Eigen schuld.

Lees hier het hele artikel 20-39 Marjan

Het is raar om een oude vriend in bed te zien liggen. Daar hoort hij niet. Hij hoort aan tafel met een kop koffie

“Kan ik nog iets voor je doen? Een pyjama breien?”
Hij lacht plichtmatig. Oude vrienden lachen om elkaars suffe grapjes.
En oude vrienden, dat zijn we. Vanaf de kleuterschool zo’n beetje. Vanaf de tijd dat we dachten dat we voor eeuwig waren. Maar dat zijn we niet. En die werkelijkheid begint eindelijk tot ons door te dringen.
Hij hoeft geen pyjama. Hij heeft T-shirts en een beminnelijke glimlach.
Dat moet genoeg zijn voor die paar dagen ziekenhuis. Daarna komt het vast helemaal goed, bedenkt hij. Geen haar op mijn hoofd die hem durft tegen te spreken. En elke gedachte aan iets minder dan ‘helemaal goed’ verdringen we manmoedig.
Ik bedien pompjes antiseptisch middel met mijn elleboog op aanwijzing van de gastvrouwen en druk daarna op het knopje in de lift, terwijl ik bedenk dat iedereen aan dat knopje zit. Ook als ze op weg naar de lift in hun neus hebben gepeuterd. En de oude vriend waarschuwde extra: er is niet alleen dat virus dat iedereen bedreigt, er is ook nog een mede-patiënt geweest met een resistente bacterie. Daardoor is zijn hele afdeling onder extra quarantaine.

‘Je mag niks aanraken’, waarschuwt hij via de app.
Daar ligt-ie dan. Dat T-shirt heeft hij vast heel wat keren gewassen, samen met zwarte truien en vale spijkerbroeken. En hij heeft vaak aan de boord getrokken, omdat die hem benauwde. Nu lubbert-ie los rond zijn magere hals.
Het is raar om een oude vriend in bed te zien liggen. Daar hoort hij niet.
Hij hoort aan tafel met een kop koffie. Of op een terras met een biertje, na een strandwandeling. Ik aarzel bij de deur van zijn kamer.
Maar hij zwaait meteen. Zo fijn dat je er bent! Er zit een slangetje in zijn neus, dat omhoog loopt en met een plakkertje vastzit op zijn voorhoofd.
Ik zwaai van een afstandje terug. We grijnzen naar elkaar en omschrijven de hele situatie met een paar drieletterwoorden die ik niet opschrijf. De eindredactie zou ze schrappen. Maar in die ziekenhuiskamer zeggen we ze hardop en daar knikt de buurvrouw in het bed bij het raam instemmend mee. Want dat is het. We hebben er gewoon geen ander woord voor.

“Ik ben mijn scheerapparaat ook nog vergeten,” mompelt hij, schor van alle slangetjes die in zijn keel hebben gezeten.

“Maakt niks uit. Je ziet er echt goed uit,” verzeker ik hem. Lachen doet zeer. En er is een grens aan suffe grapjes.
Maar toch, daar is-ie weer. Die beminnelijke glimlach. Die heeft hij al zolang als ik hem ken. De zuster komt binnen, draait een anderhalve- metercirkel rond mij en checkt de plakker op zijn voorhoofd. De glimlach werkt nog steeds, zie ik. Ze strijkt snel en liefdevol zijn haar naar achteren.

Lees hier het hele artikel 20-38 Marjan

Mijn scheepstouw groeit enorm uit. Zó enorm, dat ik denk: zal ik een tondeuse pakken en het afscheren?

“Het contrast tussen mijn uitgroei en mijn kleur begint wel extreem op te vallen,” zeg ik tegen mijn kapper. Annemijn vindt het allemaal wel meevallen. Verf erin en klaar ben je. Maar als ik aangeef dat ik uiteindelijk mijn eerbiedwaardige grijze haren een kans wil geven, bedenkt ze een plan. Zeg maar een traject. Want dat kan niet in één keer. Het moet gefaseerd. Anders gaat alles dood. Die warme kleur moet er helemaal uit. En uiteindelijk moet er blond in, asblond. Een heel gedoe. “We doen het,” beslis ik.

Mijn traject begint ergens in januari 2020. Met folies bleekt Annemijn een deel van de kleur uit mijn haar. Na dat bleken gooit ze er een kleurtje overheen. Dan kun je redelijk fatsoenlijk over straat, belooft ze. Hoewel, het is een wonderlijke kleur. Oud verweerd scheepstouw. Dat is mijn eerste associatie. Mijn tweede durf ik niet op te schrijven.
Er breekt corona uit.
Mijn scheepstouw groeit enorm uit. Zó enorm, dat ik aarzel. Zal ik een tondeuse pakken en het afscheren tot op een lengte van een centimeter of twee, drie? Dan ben ik meteen waar ik zijn wil. De buurman koopt een tondeuse omdat hij van zijn matje af wil en ik mag mee-investeren. Kan ik meteen Jan kortwieken. Het wordt allemaal steeds verleidelijker. Tot Jan zegt: “Ik vind je vast ook wel leuk met kort haar. Denk ik. Maar met langer haar vind ik je veel en veel leuker.”

Misschien moet ik hem wel een beetje aardig uitzicht bieden. Dus ik scheer niet. Ik bind sjaaltjes om mijn touw. Dan zie je de uitgroei minder.

Dan mag de kapper weer! Met mondkapje, dus redelijk benauwd. Maar toch heerlijk. Annemijn staat al klaar met een lading aluminiumfolies en vervolgt mijn traject. Ergens daagt het besef dat ik iets idioots met mijn haar doe. Iets wat simpeler zou kunnen. Als alles klaar is, kijk ik naar mijn spiegelbeeld. Mijn gezicht verscholen achter een wit mondkapje. Daarboven de haarkleur van Bente, onze blonde labrador.

“Het is even wennen,” zeg ik.

Ik moet nog twee keer. “Dan is alle warmte eruit en kunnen we assige tonen toevoegen,” zegt Annemijn.

“En dan ben ik grijs.”
“Ja. Op een mooie natuurlijke manier.”

Ik vind dat niet eens eigenaardig klinken. Ik maak gewoon een nieuwe afspraak.

Elke keer als ik mezelf in de spiegel zie, schrik ik. Ik denk dat ik mijn zusje zie. Mijn blonde zusje die al een paar jaar niet meer bij ons is. Of ik denk dat ik mijn hond zie. Maar dat is eigenlijk minder erg.

 

 

Lees hier het artikel 20-37 Marjan

De aanstaande mama heeft nooit een geheim kunnen bewaren. Hij komt maandag, flapt ze eruit

Het is een rare week. De week waarin mijn derde kleinkind nog niet geboren gaat worden. Want hij komt maandag, zegt zijn aanstaande mama. Met een geplande keizersnee. Eerst wil ze niet vertellen op welke dag. Dan gaat iedereen goedbedoelde teksten sturen of erger nog: opbellen. En zich enorm druk maken. Dat ook. Dus om dat allemaal voor te zijn, houdt ze het geheim.

Na lang en slim vissen van mijn kant flapt ze het er ineens uit. Maandag dus. Om half drie in de middag. “Ik wist wel dat je het niet geheim zou kunnen houden,” roep ik. Fijn, als je je kinderen zo goed kent. Deze heeft nog nooit een geheim kunnen bewaren. Ik zet die kleine meteen op de verjaardagskalender. Mooie symbolische daad.

De week wordt vervolgens een soort vacuüm waarin we iets verwachten waarvan we weten dat het nog niet zal komen. Maar er komt wel iets anders. Op de donderdag in die rare week brengt de post mijn regenlaarzen. Die laarzen had ik twintig jaar geleden ook. Ik liep ze op tot ze van m’n voeten vielen en kocht nieuwe van een ander merk. Want dat heel fijne merk was niet meer in de handel. Die nieuwe zitten beroerd en zijn loodzwaar. En ineens vind ik op internet mijn laarzen van vroeger. Opnieuw in productie. Ik bestel meteen. Op de dag dat ze worden bezorgd, is er een hittegolf. Ik pas mijn rubberen laarzen en houd ze de rest van de ochtend aan. Ingelukkig. Nu alleen nog een regenbui.

Daarna gaan we naar de fietsenwinkel. Om informatie over een fiets met trapondersteuning. Want ik heb wel een fiets, maar daar fiets ik beroerd op. Wankel. Onzeker. Zwaar.
“Maak maar een proefrondje,” zegt de man van de fietsenwinkel. Jan blijft achter als onderpand en ik fiets. Man, wat fietst dat! Ik vlieg! Hup, het dorp uit, o, daar is het winkelcentrum al! De wind suist om mijn oren en ik fiets zó heerlijk, dat ik niet meer terug wil. Als ik me weer meld in de fietsenwinkel, is Jan zichtbaar opgelucht. De fietsenman ook. Helemaal als ik zeg: “Deze wil ik.”

“Wat een heerlijke dag,” zeg ik voor de zoveelste keer tegen Jan. Ik klap even languit op de bank om al die gelukzalige emoties te verwerken. Met mijn regenlaarzen aan.
De telefoon gaat. Het is Kirsten. De aanstaande mama. Die geen geheimen kan bewaren. Ik neem op met: “Hé Kissie, hoe gaat-ie, scheet?”

Ze klinkt een beetje schor als ze zegt: “Hij is er, mam.”

“Hij is er?” Ik fluister die woorden na.
“Ja. Hij is er.”
Rare week. Heerlijke dag. Nieuwe verjaardagskalender.

Lees hier het artikel 20-36 Marjan