Blog

In gedachten had ik het al stiekem besteld, dat vogeltje. Maar als je het cadeau krijgt, is het nóg leuker

“Voor je verjaardag krijg je een vogeltje,” belooft Jan. Ik had het stiekem al in gedachten besteld. Dat vogeltje. Maar als je het cadeau krijgt, is het nóg leuker. Waar wil ik hem? Daar. Boven het kleine raam dat uitkijkt op de vaart. Als ik aan tafel zit, kijk ik door dat raam naar buiten. Boven de omtimmering van het raam, op de witte muur, daar moet mijn vogeltje komen.

Rianne schildert vogeltjes in allerlei soorten en maten op muren. Ze woont bij ons aan de dijk en we vinden niet alleen haar vogeltjes leuk. Haar ook. Rianne is net zo mooi als de vogels die ze schildert; puur en breekbaar. En tegelijk sterk, vol onbedwingbare levensmoed. Het maakt niet uit wat je kiest. Een koolmeesje op een stopcontact. Een roodborstje boven het slaapkamerraam. Of een meerkoet, wijdbeens, op de kamermuur. Rianne schildert het voor je. Ik wil een mus. Een vrouwtje. Zo’n dikke die net uit een lekker zandbad komt en al haar veertjes nog heeft uitstaan.

Maar Jan moet eerst de muur nog witten. Of ik. Dat kan ook. Maar als ik zeg: ‘Ik ga die muur witten,’ dan lijkt het een verwijt. Heb je die muur nou nog niet geverfd? Zo krijg ik dat vogeltje natuurlijk nooit! Dus ik wit niet. Ik zeg niks. Ik hint af en toe. Hebben we nog genoeg muurverf? Ja? Fijn. Subtiel is het niet, dat geef ik toe. En het werkt ook nog eens voor geen meter. Wat wél werkt, zit diep in mij. Want elke keer als ik naar de plek kijk waar straks mijn mus komt, zie ik hem al. Nee, haar. Ik zie haar al zitten. Mijn lekkere mollige huismus. Dat voelt al heel tevreden. Blij.
Vol verwachting zelfs.
Maar het blijft een bevalling. Want als Jan eindelijk de muur heeft geschilderd en ook het plafond – ik kan mijn geluk niet op – is er door angst voor covid-19 veel uitstel. Rianne heeft ook nog een klein meisje op roze regenlaarsjes, dat door bezoek aan kinderdagverblijf veel, vaak en verdacht snottert. Dan zegt ze al die schilderafspraken maar weer af.

Eindelijk is ze er. Met acrylverf en kleine kwastjes en een palet. Ze staat op de eerste trede van ons keukentrapje en schildert heel behoedzaam, streekje voor streekje, mijn mus. De pootjes grijpen om de betimmering. Mus heeft een flauwe glimlach om haar snavel. En ik zit aan tafel en glimlach terug.

Die avond begint labrador Bente ineens te grommen. Ze staat op van haar kussen, loopt met haar nekharen overeind naar het raam en gaat daar verontwaardigd staan blaffen. Daar zit verdorie een mus! Kijk dan!
Dat verdient veel knuffels. Voor mijn volgende verjaardag wil ik een winterkoninkje.

Fotografie: Marloes Bosch

Ook zin in een vogeltje? Kijk op www.hallovogel.nl

21-25 Marjan

Ik ben in staat met iedereen te zoomen, behalve met één dochter die steeds gilt: ‘Ma!!!! Je staat op mute!’

“Ik stuur je nog een uitnodiging voor Zoom!” zegt de voorzitter van mijn vrouwennetwerk blij, vlak voor ze ophangt. Voorzitters houden van vergaderen. Dat snap ik wel een beetje. In vergaderingen kunnen ze mensen aanwijzen die klussen moeten opknappen. Die moeten dan in een volgende vergadering laten zien hoe ver ze zijn. En antwoord geven op de vraag waarom het nog niet af is. Dan kijkt zo’n voorzitter naar haar secretaris met een blik van: ‘Heb je dat goed genoteerd?’
Ik ben niet zo geschikt voor vergaderingen. Ik vind het meestal gezeur, het duurt te lang en bij de derde spreker al hoor ik herhalingen van meningen. Aan de vierde spreker krijg ik op slag een hekel, omdat ik die ervan verdenk alleen maar het woord te nemen om straks in de notulen te worden genoemd. (‘Voorts benadrukte Eva het belang van bladiebladiebla, zoals eerder aangestipt door Petra.’) Zonde van tijd en ruimte. Verspilling.
Dat vind ik het. En dan nu ook nog via Zoom.
Ik bel die voorzitter meteen terug, geef aan dat ik de hele ontwikkeling aan me voorbij laat gaan, omdat ik meen dat we straks gewoon weer in een gezellige omgeving kunnen gaan zitten met een interessante workshop toe, dus laat die Zoom maar zitten. “Hoelang zal het nog duren? Vast niet lang!” roep ik nog. “Ik hoop dat je gelijk hebt. Ik stuur evengoed een uitnodiging,” zegt de voorzitter.
De voorzitter blijkt over meer realiteitszin te beschikken dan ik. Iedereen blijft vergaderen via communities en mijn kleinkinderen zitten het grootste deel van hun schooltijd op een scherm naar juf en klasgenoten te kijken.
Ik begin me te voelen als het kleine dorp, waar Asterix en Obelix dapper weerstand bieden aan de Romeinen. Dus ik schrijf me in voor een cursus Zoom.
Meedoen aan Zoom is appeltje-eitje. Dat oefen ik voordat de cursus begint. Dat zal ook wel moeten, anders kun je die hele cursus niet volgen. Ik krijg een link en ik klik. Dat oefen ik meteen met anderen. Ik snap nu ook hoe ik een meeting kan hosten. Dus ik ben ver voor aanvang van de cursus in staat met iedereen te zoomen, behalve met één dochter die steeds gilt: ‘Ma!!!! Je staat op mute!’
Dan begint mijn cursus. Ik klik op de link, zie dat de link niet werkt, ga naar Zoom, vul het nummer in van de meeting en het bijbehorende wachtwoord en beland met drie andere deelnemers in de Zoomcursus.

“We wachten even, want de link werkt niet,” vertelt de Zoomjuf.

“Hoeveel moeten er nog komen?” vraagt een medecursist.

“Twintig in totaal. Er is een enorme storing bij Zoom,” zucht de juf.

Het duurt. Het duurt. De medecursist zegt: “Dat wij hier zitten, is al een diploma waard.”

Ik zeg niks. Ik sta op mute.

 

Fotografie: Marloes Bosch

 

21-24 Marjan

Als ik al denk aan koffie, begint die machine opdrachten voor me te verzinnen. De basistekst is: ‘Leeg twee bakjes’

“Het zal een keertje niet.” Standaardverzuchting bij de koffiemachine in de keuken. Dat apparaat heeft namelijk een venster waarin een tekst verschijnt zodra ik een kop koffie wil hebben. Een behoorlijk dwingende tekst ook nog. Als ik al denk aan koffie, begint die machine opdrachten voor me te verzinnen. Die moet ik eerst uitvoeren, voordat hij ook maar een boon gaat malen. De basistekst is: ‘Leeg twee bakjes’. Dan moet ik de lekbak legen én het bakje aan de zijkant, waarin de koffie zit die na de filtering overblijft. Als ik dat te snel doe, vraagt hij: ‘Zijn alle bakjes goed geleegd?’ Hij vertrouwt me niet! En het helpt niks als ik antwoord geef.

Soms houdt hij er halverwege mee op. Dan kijk ik verbaasd in mijn halflege kopje en lees: ‘Vul het reservoir bij’. Dat is even pielen. Vulbak eraf klikken, onder de kraan houden, precies onder de juiste hoek terugzetten omdat hij anders niet past en snel mijn kopje terugzetten, want zodra alles is gevuld, loopt hij door.

‘Maak apparaat schoon’ is er ook zo eentje. Die kan ik gelukkig een paar keer wegklikken, maar soms ben ik toch echt aan de beurt. En dan moet ik erbij blijven, want tussendoor geeft hij opdrachten als: ‘Leeg de opvangbak’ en ‘Plaats de opvangbak terug’. Hij ziet natuurlijk niet dat die bak er allang staat, dus ik moet op ‘oké’ klikken. Anders staat hij daar gewoon uren te wachten tot ik eindelijk klik.
Ik verwacht altijd dat hij op een goede dag zegt: ‘Ga stofzuigen’. Of: ‘Maak je wc schoon’. En dat hij nog een keer checkt of ik dat werkelijk heb gedaan, voordat hij me een simpele kop koffie verschaft.

Ik weet precies waarom dat apparaat me zo irriteert. Dat toontje bevalt me niet. Doe dit, doe dat. Ik houd er niet van. Waarom brengt hij die boodschap niet wat prettiger? Zo van: ‘Zou je even mijn bakjes willen legen? Fijn!’ Het is maar een kleine nuance en het doet veel. ‘Oei! Mijn opvangbak loopt vol! Wil je hem even legen?’ Daar zou ik vrolijk van worden.

Elke keer als ik een latte heb gemaakt, roept hij: ‘Reinig mijn systeem! Reinig mijn systeem!’ Nou ja, hij roept niet. Hij schrijft. Maar het voelt aan als dwingend gekrijs. Hij zou ook kunnen zeggen: ‘Als je geen melk in je zwarte koffie wilt, moet je nu eerst even mijn leiding spoelen!’ Dan zou ik zeggen: ‘Goh, goed dat je het zegt! Ik gooi hem even onder de hete kraan!” Dat was dan een prettig begin van de dag.
Er zijn ochtenden dat ik het niet aankan. Dan staar ik naar dat schermpje, lees zo’n opdracht en dan zet ik de ketel op. Voor thee. Topketel. Geen tekst. Alleen een fluitje.

Fotografie: Marloes Bosch

21-23 Marjan

Door schade en schande leer ik dat ik volgende keer met de wind mee moet plassen. Een waardevolle les

“Vast een vergissing,” zeg ik zonnig. “We lopen meteen terug naar de receptie. En dan regelen ze het.” Ik zou dat moeten afleren. Gewoon door ervaring. Maar ik blijf altijd geloven dat het goed komt. Ook deze domper: een treurige hotelkamer in vijftig tinten bruin in plaats van de ruime suite die ik boekte mét jacuzzi. Inpandig. Zodat je na een strandwandeling heerlijk kunt gaan zitten bubbelen met een fles rode wijn en een borrelplank. Dat is nog eens een verjaardagscadeau. En Jan was jarig. Niks gevierd vanwege corona, maar een hotel op een Waddeneiland dat coronaproof maaltijden en ontbijt serveert, is een leuk alternatief.

We lopen in ganzenmars naar de balie, mondkapjes voor. Ik leg uit dat we in de verkeerde kamer zitten en een superlieve gastvrouw duikt meteen de computer in. Ze print iets uit waaruit blijkt dat ik verkeerd heb geboekt. Ik heb niet goed gekeken. Ik heb serieus deze kamer geboekt, met regendouche.
Een regendouche! Wie heeft dat bedacht?! Ziet er hartstikke leuk uit, hoor, maar ik ken geen enkele vrouw die zich ’s ochtends graag helemaal nat laat regenen. Ik ken er wel een heleboel die zich willen wassen en daarna willen afspoelen. Maar dat terzijde.

“Dan boeken we om,” bedenk ik oplossingsgericht. Zo druk kan het niet zijn, in deze tijd van het jaar, in die totale lockdown ook nog, met alle restaurantjes, terrasjes en bezienswaardigheden gesloten. De gastvrouw krimpt een beetje. Ze hebben nog één kamer met een infraroodcabine.
Die staat dan op de plek waar wij een regendouche hebben, zodat de vijftig tinten bruin nog dwingender op je af komen. Bovendien ga je natuurlijk niet gezellig in je infraroodcabine zitten met je borrelplank.

We maken nog wel een strandwandeling. Waar ik op een enorm breed en winderig strand een enorme plas doe achter een opgewaaid hoopje zand met drie sprieten helm erop. En waar ik door schade en schande leer dat ik de volgende keer met de wind mee moet plassen. Dat is een waardevolle les voor een ongewisse toekomst: vrouwen kunnen nergens plassen met een lockdown en wie weet hoe vaak we dat nog gaan krijgen, de komende jaren. Dus bovenbeenspieren trainen voor de hurkhouding en met de wind mee! We gaan pas de volgende ochtend terug, want de boot die we nog kunnen halen, vaart te laat om thuis te komen voor de avondklok van negen uur. En de volgende dag kunnen we pas om twee uur een plek op de veerboot bemachtigen. Er is storm voorspeld. Iedereen vlucht van het eiland.

“Dit is toch het mooiste verjaardagscadeau ooit,” meent Jan, als we die avond wijn drinken bij onze houtkachel. “Dat je beseft wat een heerlijk huis je hebt.”
Tja. Alleen nog een jacuzzi.

Lees hierbij het gehele artikel 21-21.22 Marjan

Er zijn projecten in ieders leven waarvan je de redelijkheid niet wilt verdedigen. Dit is er zo eentje

“Maar wat wil je daar dan mee?” “Nou, gewoon. Een muurtje bouwen.”

Ik heb iets gezien in een tuinblad. Van wilgentenen kun je van alles maken. Kruiptunnels voor kinderen, speelhutjes, muurtjes. En wij hebben een wilg. Om de twee jaar knotten we die wilg en daarna zijn we uren bezig om alle takken in kleine stukjes te knippen en in de groene bak te gooien. Geloof me, dat past niet in één bak. En die bak wordt één keer in de veertien dagen geleegd. Daar moet dan ook nog de volgescheten bodembedekking van een enorme kippenvilla bij. En mijn verwende kippen houden van veel stro en beukensnippers en een beetje extra hooi voor hun leghoekje. Waarmee ik mezelf nu zwart-op-wit voor eens en voor altijd accepteer als kippenmens. Dat is een beetje vreemd. Ik geef het toe. Maar het maakt wel gelukkig. Totdat er ineens een halve wilg in de groene bak moet. Dat past niet.

Dus ik wil een muurtje bouwen.
“Waarvoor een muurtje?” Jan is praktisch. Die wil wel een muur, maar dan moet hij het nut ervan inzien.
“Om uit de wind te zitten.” Dat is een goeie. Jan kijkt toe hoe ik probeer een stevige wilgentak in de grond te rammen. Ik wijs aan wat ik wil. Steeds twee takken tegenover elkaar, een stuk of zes op een rij en dan takken stapelen tussen de staanders. Hij helpt. Waarschijnlijk omdat hij meteen bedenkt dat je zoiets gammels ook razendsnel weer kunt afbreken. Dus hij zaagt scherpe punten aan de staanders, ramt ze in het gazon en vraagt: “Waar zitten we dan uit de wind?”

Het muurtje staat van oost naar west. Dus met een zuidelijke wind kun je aan de ene kant gaan zitten en met een noordelijke wind aan de andere. Bovendien wordt het waarschijnlijk zó laag, dat je erachter moet liggen. Er zijn projecten in ieders leven waarvan je de redelijkheid niet wilt verdedigen. Je wilt ze aanpakken. Uitvoeren. Afmaken ook, maar dat hoeft niet altijd. Dit is er zo eentje. Ik wil een muurtje van wilgentenen dat nergens toe dient. Gewoon, omdat het kan. Jan begint wijselijk niet over vaak voorkomende windrichtingen en ik bouw.

Als het muurtje vijftig centimeter hoog is, buig ik de twee staanders naar elkaar toe om ze samen te binden met touw. Met een werkhandschoen verlies je al snel grip. De voorste tak knalt terug, recht op mijn bovenlip. Tand door mijn lip. Er druipt bloed in mijn hand. Mijn hele bovenlip is dik en kleurt langzaam blauw.

“Je moet het blijven koelen,” raadt Jan aan. Met een in een theedoek gewikkelde zak diepvriesdoperwtjes op mijn lip kijk ik vanuit de kamer uit op het totaal onnuttige en ook nog eens spuuglelijke wilgenmuurtje. Misschien is een kruiptunnel toch leuker.

 

21-20 Marjan

Inwendig ben ik altijd van slag als die fijne stapel yoghurtbekers ineens is gereduceerd tot één exemplaar dat nergens in past

“Waar zijn alle bakjes?” Jan graaft in de middelste la rechts. Daar liggen de bakjes. In elkaar geschoven, de deksels ertegenaan. Dat gaat in elk geval op voor de bakjes die hetzelfde zijn en dus in elkaar kunnen worden geschoven. Verder zie je in die la een waanzinnig bouwwerk van allerlei formaten die een beetje passen, helemaal niet passen of ineens rond zijn tussen alle vierkante en langwerpige familieleden. Het is dus een krankzinnige la waar ik van tijd tot tijd opnieuw structuur in breng. Dat geeft een goed gevoel. Een la vol geordende plastic voorraadbakjes kan me sterk de illusie geven dat de rest van mijn leven ook gestructureerd is. Zonder toeval. Alles op een rij. Ik kan ook zo genieten van een bestekla in mijn vaatwasser waarin ik alle messen bij elkaar leg, daarna alle lepels en dan alle vorken. Idealiter kijken ze ook nog allemaal dezelfde kant op. Diepe intense bevrediging geeft dat aan een warrig hoofd.

Maar zo’n la met bakjes leidt een eigen leven. Zo is-ie overvol, zo is-ie weer leeg. Blijft hij dat een tijdje, dan koop ik in een opwelling bakjes erbij. Van een totaal ander merk, liefst veel en heel goedkoop, zodat alle stapel-ellende een extra ingewikkelde dimensie krijgt. Bovendien komen dan ineens alle meiden bakjes terugbrengen waarin ze ooit soep meenamen. Of boerenkool met worst. Of hele maaltijden op de donderdagen dat we op kleinkinderen pasten en niet iedereen aan tafel mochten voederen vanwege de ‘1 bezoeker’-regel. Tel daar nog de bakjes bij die we meegaven als kliekje voor in de vriezer. Én alle bewaarde plastic schepijsbakjes en bekers van de Griekse yoghurt.

“Die hoeven niet terug!” roep ik bij die laatste categorie altijd genereus. Maar inwendig ben ik altijd van slag als die fijne stapel yoghurtbekers ineens is gereduceerd tot één exemplaar dat nergens in past.

Lees ik ineens een interview met een zielsverwant. Janneke, ingestort doordat Tupperware ophoudt met leveren op de Nederlandse markt. Een foto toont Janneke in haar keuken. Ze wijst op totaal georganiseerde lades en kastjes. Allemaal dezelfde bakjes en dozen. Die zo zijn ontworpen, dat ze passen. Och Janneke, in deze column lees je in welke chaos je straks belandt. Ook jij gaat straks idiote stapels bakjes kopen bij heel grote winkelketens, waarvan je op voorhand al weet dat de helft zó’n onhandig formaat heeft, dat je er nooit iets mee gaat doen. Behalve dan eten in meegeven en bidden dat het nooit retour komt. Maar ja, die brengen ze dus wel terug. Want die passen niet in hun keukenla. Waarmee ik Jans raadsel heb opgelost. Eureka. Die bakjes? Die staan keurig in een la. Alleen niet in die van ons.

21-19 Marjan

Fotografie: Marloes Bosch

‘Kan dat allemaal weg?’ vraag ik hoopvol. Mis. Hij wil het ordenen. Categoriseren. Zodat je het blind kunt pakken

“Ik wil onze hele administratie eens goed doorlichten,” zegt Jan. “En alle verzekeringen checken.”
Sjonge wat een goed idee. Dat zou ik iedereen kunnen aanraden. Moet je doen! Ja echt! Gaat je geld opleveren. En rust. Dat ook. Want wie weet, was je wel onderverzekerd. Of nog erger: helemaal niet! Kijk dat maar eens zorgvuldig na. Ik hoor het mezelf zo zeggen tegen dochters die ik verdenk van veel te veel huppelen en veel te weinig stilstaan bij de ernst van alles wat ons kan overkomen. Die moeten de papieren in. Dat is nuttig.

Maar nu moet ik zelf. Met Jan. Die daar acuut lichte migraine bij krijgt. Dat weet ik nu al. Hij heeft de vloer bezaaid met papieren en kijkt licht wanhopig.

“Kan dat allemaal weg?” vraag ik hoopvol. Mis. Hij wil het ordenen. Categoriseren. Zo indelen, dat je het blind kunt pakken.

“Kan je daar niemand voor inhuren? Zo’n ontrommelcoach? Of een Organiser? Bestaan die? Voor privépapieren?” Jan snauwt iets en maakt stapeltjes die ik meteen wil weggooien. Wie in 2021 leeft, heeft immers geen belang bij de polis uit 2020. Daar is Jan het niet mee eens. Hij wil de ontwikkeling kunnen bekijken. En hij heeft een map, waar het allemaal in kan. Dus ik moet alles weer neerleggen. Als ik dan een polis uit 1987 vind, daarmee ga zwaaien en drie keer achter elkaar vraag of we die dan ook ergens moeten archiveren en of hij daar soms ook een speciale map voor heeft, is de toon gezet. Dit wordt een moeizaam project.

“Als jij nu ordent en ik scheur alles waar je afscheid van wilt nemen in lange stroken papier?” opper ik. “Dan houd ik m’n mond en doe ik toch iets nuttigs, vanwege de privacy in de vuilnisbak en het ontbreken van een shredder.”

“Ja. En haal maar koffie,” zegt Jan.

Dat doe ik meteen. Hij leest onderwijl de voorwaarden van onze opstal- en inboedelverzekering, die misschien her gewaardeerd moet worden. Zodat we straks ook nog allemaal spullen moeten gaan taxeren. De stemming daalt dieper.
Tot Jan opveert en op de polisvoorwaarden wijst. “Zo gaaf,” zegt hij. “Ik dacht altijd dat ze natuurrampen niet coverden. Maar dit is wel een meevaller voor ons dijkhuis. Want hier staat iets over schade door ‘…water onvoorzien gestroomd uit waterbedden…’. Dus als de dijk breekt, zitten we goed!” Hij kijkt me opgetogen aan.

Ik aarzel. Hij is net een beetje blij! Maar het moet. De realiteit gebiedt. Dus ik zeg: “Jan, wij hebben geen waterbed. Wij hebben gewone matrassen.”

21-18 Marjan

Fotografie: Marloes Bosch

Ik heb dus geen één ei gevonden. Jan vond ze. En het zijn mijn kippen!

 

“Er is een kip aan het leggen,” zegt Jan. Hij acteert kalm, maar de opwinding is enorm. Na maanden investeren in hokken, rennen, voer, kippenpindakaas en tabaksstengels tegen bloedluis zou er ineens een ei liggen?
In de schuur klinkt gekakel. Haan Coco staat in de deur van het hok, bovenaan de trap. Hij schermt Houdini af, die daar onder luid protest een ei produceert.
“Hij vindt het privé,” fluister ik vertederd.
“Serieus, een ei?” zegt kleinzoon Seth, die een nachtje logeert. “Waar komt dat dan uit?” Ik leg uit: “Bij een kip komen poep en ei uit hetzelfde gaatje.” En Jan begint de kippenvoorlichting met: “De cloaca….” Dat is voor een dertienjarige erg genoeg om zich zonder commentaar binnen terug te trekken achter een computerspelletje met minder afgrijselijke dingen, zoals gebouwen opblazen en zombies afknallen.

Oudste dochter arriveert. Hoogzwanger en verhit na een lange autorit met kruisverhoor.
“Ze wilden weten waar zo’n baby nu precies uitkomt,” fluistert ze, terwijl ze wijst op de twee pukkies die ze er in de relatie met de toekomstige papa gratis bij kreeg.

“Willen jullie een snoepje?” zeg ik. Ze huppelen met me mee en zijn de hele aanstaande bevalling vergeten.

“De kip is klaar,” meldt Jan even later. “We hebben drie eieren.” En als hij later door de tuin loopt, vindt hij ook nog een ei tussen de narcissen.
Ik mag er data op zetten. Met een potlood dat ik speciaal daarvoor op het eierdoosje leg. Dat dan weer wel. Maar ik heb dus geen één ei gevonden. Jan vond ze. En het zijn mijn kippen!

“Wie heeft ze nu gelegd?” vraag ik.
“Claudette,” zegt hij.
“Welnee, het was Houdini. Ik zag duidelijk dat het Houdini was.”
“Dat doe je vaker. Iets vragen en me dan tegenspreken. Terwijl het nergens over gaat,” zegt hij verbaasd. Hij heeft gelijk. Ik weet zelfs waarom ik het doe. Uit frustratie. Ik had die eieren moeten vinden! Ik ken die kippen beter dan hij!

Dochter gaat ervandoor. Eerst nog even de kipjes gedag zeggen. En terwijl de kinderen gelukkig net de andere kant opkijken, geeft Coco Houdini een stevige beurt. De arme kip. Eerst eieren leggen en nu die haan in haar nek!

“Och jee,” zegt dochter ontdaan. Ik geef ze allemaal een zacht duwtje en zeg: “Ga nu maar gauw. Anders moet je dat straks ook nog uitleggen.”

De lente is losgebarsten. Leven, eieren, er valt nog een hoop te verklaren.

Van vier krieleieren maak je een prachtig omeletje.

“Jij ook, Seth?”
“Nee, dank je oma. Ik heb cloaca gegoogeld.”

21-17 Marjan

Fotografie: Marloes Bosch