Blog

Huis na huis, na huis wapperen de vlaggen. Halfstok. Overal. Allemaal buren die even stilstaan bij het afscheid

Ik heb een fiets met trapondersteuning. Sinds kort. Ik vond het aanvankelijk een suf apparaat. Dus ik fietste gewoon nooit. Daar komt het wel zo’n beetje op neer. In dit land waait het altijd en ook nog tegen. Ik riep dus altijd zonnig: “Ik ben dol op mijn auto!” Dat is ook zo. Maar er komt een moment dat je beseft dat het te mal is om voor elk wissewasje die auto te pakken. Mensen begonnen hun wenkbrauwen op te trekken. “Ben jij met de auto? Je woont hier om de hoek!”

‘Geen korte ritjes meer met je auto’ zal ooit het doel zijn van stoptober, voorzie ik.
Nu fiets ik. Alleen. Jan kan niet mee, want die heeft een normale fiets en daarop houd je een mens met trapondersteuning niet bij. Dat leidt tot prettige ontmoetingen. Omdat ik toch in mijn eentje fiets, kan ik er elk moment afspringen en iets beter bekijken. Of bevragen.

Zo trap ik op een mooie dag door de Beemster. Daar woon ik vlakbij. Het is heerlijk fietsen in die polder, maar het is er wel erg open en erg plat. En het waait er veel. Ik heb de wind een keertje mee, dus ik vlieg! Stevig windje ook. Dat merk ik niet alleen aan mijn snelheid, ik zie het ook aan de vlaggen langs de Middenweg. Ze wapperen. Halfstok. Overal. Er staan veel boerenbedrijven aan de polderweg. Die hebben grote erven met midden op hun gazons hoge vlaggenmasten. Maar ook de kleinere huizen op een rij hebben de vlag halfstok. Huis na huis, na huis.

Er loopt een grootmoeder met een kleinzoon op een plastic trekker. Ik stap af en vraag haar naar de vlaggen.
“Dat is voor een buurman. Die gaat vandaag naar zijn laatste rustplaats.”

Ze zegt het plechtig. Ik kijk de weg eens af. Het is een lange weg, kaarsrecht over de lengteas van de Beemsterpolder. Met allemaal buren die even stilstaan bij het afscheid van een van hen.

“Wat mooi,” zeg ik een paar keer. Zij knikt mee. En ze glimlacht.
Op de weg terug denk ik ineens aan een vriendin die bij een grote gemeente werkt. Maar dan aan de sociaal/maatschappelijke kant om personeel te ondersteunen en te begeleiden. Die bedacht een rozetje dat je kunt opspelden als het voor jou een dag is waarop je van tevoren al weet dat je de hele dag zult denken aan die ene mens die je kwijt bent. En dat je daardoor vast niet reageert zoals je collega’s altijd van je gewend zijn. Dan zien ze dat rozetje en kunnen ze vragen: ‘Wil je erover praten? Of liever niet?’ Het idee is briljant van eenvoud en het werkt eigenlijk net als een vlag halfstok, waardoor ik ineens stilsta bij afscheid en verdriet.
Het is nog een hele trap naar mijn huis, ondersteuning of niet. Herinneringen mee. Wind tegen.

Lees hier de column 20-48 Marjan

Krijgen we de kluit wel opgetild? Dochter houdt de moed erin. ‘Er is vast hulp. Het zal er wel druk zijn’

‘Wil jij ook een gratis perenboom?’ Appje van middelste dochter. Die heeft iets gelezen op Facebook. Duizenden perenbomen zijn door corona niet verkocht en zullen worden verbrand. In het hele land organiseren kwekers acties om de bomen te redden. Ik heb al een hoogstam goudrenet. Daar kan met gemak een perenboom bij. Ik denk geen moment langer na.

‘Ja!’
Dus gaan we die zaterdag op pad. Jan regelt de aanhanger, pompt de banden nog eens extra op en vraagt voor de zekerheid aan dochter, die alles over die perenbomenactie heeft gelezen: “Weet je zeker dat we niet even de tandem-asser van de buurman moeten lenen? Die heeft dubbele wielen. Zo’n kluit is hartstikke zwaar.”
We gokken het erop. Dochter ziet een zwaardere aanhanger niet zitten en zij moet rijden, want ik zie al tegen dit kleine karretje op. Recht vooruit met zo’n ding, dat gaat nog wel. Maar de hemel behoede me voor het moment dat ik ergens achteruit in moet draaien. Niet te geloven hoe snel een aanhangwagen zó kan scharen, dat je er geen beweging meer in krijgt.
We hebben werkhandschoenen. We hebben laarzen. Zouden we zelf moeten spitten? Misschien voor de zekerheid een schep mee? We gooien er twee in de aanhanger. Op alles voorbereid. Dat zijn we.
Halverwege de reis bedenken we dat we eigenlijk het afdeknet hadden moeten meenemen. Voor de kruin. Met al die takken en bladeren.
En krijgen we de kluit wel opgetild? De aanhanger is vrij hoog.
Dochter houdt de moed erin. “Er is vast hulp. Het zal er wel druk zijn.” Inmiddels zouden we de eerste trotse bezitters van een nieuwe perenboom kunnen spotten. We zien er geen een. Vreemd. Maar dan zien we een vrouw lopen. Aan haar ene hand een kind. In haar andere hand een tak. Tussen duim en wijsvinger. Een vrij lange tak. Dat wel. Paar zijtakjes ook. Maar toch. Daar fietst een man. In zijn fietstassen aan weerskanten twee dunne kale perenboompjes. Anderhalve meter hoog. Max. Dochter begint te lachen. Ik kreun. Tranen lopen over onze wangen.

“We zijn net aan het verhuizen. Vandaar de aanhangwagen,” roept dochter uit het autoraampje tegen de routewijzer in het gele hesje.
We krijgen er twee. Die leggen we in de achterbak. Ik bel snel Jan om te zeggen dat hij moet stoppen met spitten. “Vijftig centimeter doorsnee en vijftig centimeter diep is meer dan genoeg!” Jan slikt. Die was al bezig een klein kinderzwembadje te graven.

Op internet lees ik dat de boompjes uit de koeling komen. Daar liggen ze in rust. Meteen planten, veel water geven en het eerste jaar bloesem eruit knijpen. Liefde en geduld. Dat heeft onze Conference-peer nodig. En een stevige paal om hem te beschermen tegen Jans grasmaaier.

Lees hier de column 20-47 Marjan

Twee hanen met één kip is geen gelukkige combi, lees ik op een kippenforum. Die ren moet af!

“Sorry, nee, het is nog niet binnen.” Dat is Wilma van de bouwmarkt. Of Susan. Of Nicole. Ik bel elke week. En elke week krijg ik hetzelfde antwoord. Iedereen schijnt in coronatijd kippenhokken te bouwen. Of pergola’s. Of volières. Van die dingen waar je gaas voor nodig hebt. En paalhouderpunten.

Mijn drie door dochter Merel uitgebroede kippenkuikens (zulke acties kun je verwachten als je je kind een vogelnaam geeft) zitten in een konijnenhok. We hebben een kleine ren gefabriceerd van een restant gaas dat nog in de schuur lag. Daar barsten de kippenbaby’s inmiddels uit. Ze groeien als kool. Kleine zwarte Coco krijgt een mooie hanenkam. Hij kukelt zó aandoenlijk, dat de buren vooralsnog alleen maar grappen maken over De rijdende rechter. Ze hebben gelukkig nog niet gebeld.

Dat gaan ze waarschijnlijk wel doen als ik ze het verpletterende nieuws vertel dat blonde Poulette ook een haan is. Hij kukelt nog wel heel ingetogen en schor, maar hij valt af en toe uit naar Coco. Dan rent hij ineens op hem af, zijn borst vooruit. De botsing lijkt een beetje op dat stomme spel dat ik ooit moest doen op een personeelsuitje: twee mensen krijgen een opblaasbaar sumoworstelaarpak aan en wie dan het laatst tegen de vlakte gaat, heeft verloren. Ik ging, toen het eenmaal mijn beurt was, al liggen voordat ik dat pak aanhad. Dat leek me wel zo verstandig.
Jonge haantjes hebben dat inzicht niet. Op een kippenforum lees ik dat de gevechten alleen maar erger kunnen worden en dat twee hanen met één kip geen gelukkige combi is. Maar als de nieuwe ren af is, hebben ze wat meer ruimte. Als ze met z’n drietjes door de tuin rennen en lekker rondscharrelen, lijkt het een heel harmonieus koppel. Maar dat kan alleen als de hond binnen is. Dus die ren moet af!

“Sorry, nee, het is nog niet binnen,” zegt Nicole. Zij heeft vaak dienst. Ik ben al aardig vertrouwd met haar. Inmiddels informeert ze zelfs naar mijn kippen. En ze spreekt uit dat ze blij is dat ik zo aardig blijf. “U moest eens weten wat ik soms naar m’n hoofd krijg,” zegt ze.

Waarom zouden mensen dat doen? Zouden ze denken dat de groothandel eerder volièregaas levert als ze een baliemedewerker uitschelden? Je weet het soms niet. Dat zijn vast mensen die zich ook zonder enig bezwaar in zo’n sumopak laten hijsen.

Inmiddels heb ik iemand gevonden die geregeld kippen slacht. Hanen dus ook. Pijnloos en snel. Na een hartstikke leuk en gezellig leven. En dan misschien hanensoep met kerst. Zodat het niet totaal zinloos is. M’n kleinzoon antwoordde overigens tamelijk stellig op de vraag of hij daarvan zou eten, met: “Nee, oma.”

Morgen ga ik de bouwmarkt weer bellen.

Lees de column in 20-46 Marjan

We doen een vreugdedansje. We gaan de productie in! Wie weet wil ze wel vijf mondkapjes!

‘Wat een leuke mondkapjes!’ Ik krijg een app van Barbara. Zij is eigenaar van een winkel waar middelste dochter een tijd heeft gewerkt. In die winkel krijg je een heel leuk katoenen tasje mee als je wat koopt. En omdat buurvrouw Riet en ik al heel wat van onze lappenvoorraad hebben verknipt voor onze nieuwe hobby ‘mondkapjes maken’ zijn we aan de winkeltasjes begonnen. Middelste dochter vond het een mop en stuurde een foto van ons product naar haar voormalige baas. Die appt nu: ‘Stuur je een proefmodel op? Ik heb misschien wel interesse!’

Riet en ik doen een bescheiden vreugdedansje in de tuin. We gaan de productie in! Wie weet wil ze er wel vijf! Dat kunnen wij makkelijk aan. Riet zingt blij dat ze nu toch alle tijd van de wereld heeft. Klaar met werken. Wat wil je nog meer? Bij succes maken we er zo nog vijf bij. Hartstikke leuk. Middelste dochter zegt: “Het is een keten van winkels, mam. Er zijn zes filialen.” Daar zijn we even stil van. Hoe kon ik dat vergeten? Zes keer vijf. Dertig.

“Dat kunnen we ook. Geen punt,” vindt Riet.
Dan komt de bestelling binnen. Per mail. Vijftig mondkapjes.

“Vijftig,” fluister ik bij Riet aan de keukendeur.
“Hoeveel?” roept haar man vanachter zijn krant.
“Vijftig!”
“Dan moeten jullie ze duurder maken,” vindt hij. “Wat een werk.” “Dat kan nu niet meer,” zeg ik somber. “Bovendien is dat wel erg raar. Dingen worden meestal goedkoper als je er veel bestelt.”
“Vijftig is ook geen punt. Dat kunnen we,” zegt Riet vastberaden. Als zij het zegt, hobbel ik daar altijd gedwee achteraan. Want ik zag al snel dat Riet in staat is drie appeltaarten te bakken, de witte was buiten te hangen en snel even de voordeur een likje verf te geven, terwijl ik nog op de bank zit na te denken welke schoenen ik vandaag aan wil.

Baas Barbara stuurt ons per koerier een voorraad katoenen winkeltasjes. Riet tornt ze los en knipt de patronen uit. Ik maak vijftig zwarte voeringen uit een tweepersoons laken dat we speciaal voor deze megaorder hebben ingekocht. Daarna zitten we twee halve dagen op anderhalve meter naast elkaar met onze naaimachines. We jassen al die mondkapjes in elkaar, roepen van tijd tot tijd om koffie, thee en koeken en nemen pauzes op in onze zelfbedachte cao, waarin we buiten aan de tuintafel vergaderen over wat we gaan doen met de opbrengst.

Aan het eind van de tweede dag liggen er vijftig mondkapjes. Er moet alleen nog elastiek in, maar dat doen we morgen. We wrijven onze ruggen na de lange zit en nemen afscheid. Bij de deur mompelt Riet: “Het begint toch verdacht veel op werk te lijken.”

Lees hier het artikel 20-45 Marjan

Het idee dat ik een mier levend meebak in mijn tarte tatin vind ik te erg voor woorden

Er loopt een mier door de suiker. Ik kijk en zwijg. De mier klautert van de beboterde bodem naar boven. Die is vast geschrokken, denk ik nog. Maar ik zeg niks. Er zit visite aan tafel en als ik nu iets ga roepen over die mier, dan heb ik geen keus meer. Dan moet ik de suiker weggooien, de met roomboter ingesmeerde bakvorm afwassen en weer opnieuw beginnen.

Ik mompel dus een geluidloos gebed om me te vergeven voor wat ik nu ga doen: het leven nemen van een mier. Daarna druk ik hem tussen duim en wijsvinger dood. Ik veeg hem af aan een stukje keukenpapier. Het is een vettige uitvaart.

Dan zie ik nog een mier in de suiker. Ik kijk naar de weegschaal. Daar zaten ze dus. In de schaal, onder de boekjes met spaarzegels van de supermarkt. Ik zag hun soortgenoten al een paar dagen over mijn aanrecht scharrelen: verkenners van een volk dat ergens onder mijn huis ingewikkelde gangenstelsels aan het graven was en nu op zoek ging naar nieuwe werelddelen, waar honing wacht en paden bestrooid met basterdsuiker. Ik heb inmiddels heel wat moorden op mijn geweten.

Nog een mier. Nog een mier. De oven is op temperatuur. De banaan ligt klaar. Ik maak een tarte tatin met banaan van Janny van der Heijden uit het laatste postcodeloterijkookboek. Toprecept. Perfect toetje. Zo klaar. Bolletje vanilleijs erbij en heet serveren. Dat moet ik er wel bij zeggen. Laat het niet koud worden. Dan wordt het zó’n taaie hap, dat zelfs een mier er kramp in zijn kaken van krijgt.
Nog een mier. Nog een mier. Het wordt een slachtpartij in mijn suikerlaagje dat straks zo mooi gaat karamelliseren in de oven. Ik vrees dat er wel pootjes achterblijven. Of voelsprietjes. Mierenbloed misschien.
Nog een mier. Aan tafel babbelen ze lekker door. Ik vervolg mijn missie. Het idee dat ik een mier levend meebak in mijn tarte tatin vind ik te erg voor woorden. Dan maar de snelle executie. Hoppa. Nog eentje. En nog een. Pas als er echt helemaal niets meer beweegt, bedek ik de suikerlaag met de banaan. Deeg erover. En de oven in. Klaar.

Mijn gasten genieten van het toetje. Lekker! Superlekker! Ik neem met een glimlach de complimenten in ontvangst. Maar ik loop me nog dagenlang in te beelden dat wij deel zijn van een ander geheel. Veel groter dan wij. Dat een enorme duim me ineens plat kan drukken. Of nog gekker: dat er iets heel kleins, zo klein dat het onzichtbaar is, in me kan sluipen en me kan vernietigen.
Nou ja, dat taartje is in elk geval een aanrader.

Lees hier het hele artikel 20-43-44 Marjan

Van oma mag dat wel

Waren opa’s en oma’s er vroeger vooral voor de gezelligheid, nu hebben ze vaak vaste oppasdagen én opvoedkundige taken. En dat is óók voor de opa’s en oma’s zelf vaak best wennen, zo weet Marjan van den Berg uit ervaring.

“Vandaag mag ze geen snoep,” zegt mijn dochter. Mijn kleinkind staat er beteuterd bij. In haar hand heeft ze een snoepje uit mijn snoeppot. “Je had tegen oma moeten zeggen dat je straf had,” vervolgt dochter. Kleinkind kijkt bijna scheel van ellende. Straks dat snoepje moeten inleveren en dan ook nog eens publiekelijk aan de schandpaal. “Ja, vertel maar eens hoe brutaal je bent geweest!”

“Nou, dat hoeft niet hoor,” sus ik. Daarmee scoor ik een dankbare glimlach van mijn kleindochter en een boze blik van mijn dochter. Opvoeden. Oppassen. Oma zijn. En moeder. Het blijft een soort circusact. Jongleren met een heleboel ballen of dansen op een koord. Ik kan er niks van. En mijn dochter ook niet.

We passen elke donderdag op de ‘kindjes’. Zo noemen we ze sinds hun oprichting. Inmiddels zijn ze acht en twaalf, dus hard op weg om een respectabelere benaming te verdienen. Maar kindjes klinkt zo leuk. En we behandelen ze ook zo. We halen ze op van school, kopen even snel een zwem broek, omdat kleinzoon de volgende dag een waterfeest heeft, laten ze lekker doen waar ze zin in hebben en ze mogen een snoepje. Wel twee. Soms drie.

‘Oma, mogen wij een vijver graven in het grasveld? Mogen we een portret schilderen? Mogen we op de computer/ iPad/Youtubefilmpjes kijken?’ Ja. Dat mag allemaal. Zelfs die vijver, want na een paar keer scheppen komen ze erach ter dat je niet zomaar even een gat graaft in een gazon, dus daar zijn ze al snel klaar mee. Intussen maken wij oma’s geheime pastasaus (met heel veel groente en dan even de blender erin, zodat je geen rare stukjes tegenkomt) en de populaire komkommersla (daar zit een enorme schep suiker in).

We zijn een lieve opa en oma. Oma scheldt weleens en zegt soms rare woorden, maar dan moppert opa op haar en zo is alles in evenwicht.

Aan het eind van de middag komt hun mama uit haar werk. We eten met z’n allen en daarna neemt ze de kinderen mee naar huis. Tussendoor voedt ze nog even wat op. “Het is jullie mama. Daar moet je naar luisteren,” zeg ik dan vals. Want van oma, van mij dus, hoeft er helemaal niks. Van mama wel. Eten met mes en vork, twee handen boven tafel en een limiet aan schermtijd.
“Hoe lang zitten ze al op die iPad?” vraagt ze vol argwaan. “O, net,” antwoord ik zonder een spier te vertrekken. Waardoor ik die kinderen ook nog eens leer liegen alsof het gedrukt staat. Maar oma’s mogen dat.

Oma Dineke, die ik al jaren ken als supermoeder en sinds een paar jaar ook als superoma, ergert zich juist een pukkel aan het ontbreken van een afspraak over schermtijd. Zij past elke woensdagmiddag en elke vrijdagmiddag op twee kleinkinderen van vier en zes. Die mogen onbeperkt op hun iPad. “Ze hebben er allebéí één!” vertelt ze vol afgrijzen. “Ik probeer weleens iets met ze te knutselen aan tafel. Met schaar en plakband en papier. Of macaroni verven en dan rijgen tot een ketting. Laatst heb ik snot met ze gemaakt. Met scheerschuim, lenzenvloeistof en lijm. Vinden ze niks aan. Ze willen op hun iPad.”

Zelfs onder het eten liggen er schermen naast de borden. Zoon en schoondochter houden hun mobiel paraat. “Dat moet. Vanwege de zaak,” vergoelijkt ze. Zoon runt met schoondochter een bloeiende makelaardij en zoiets staat niet stil na zessen. Terwijl zoon een deal sluit met een koper wordt zijn gehaktbal koud en tijdens de aardbeien met vanillevla beantwoordt hij de laatste mail.
Kun je daar iets van zeggen? Nee. Daar kun je niks van zeggen. Dineke herhaalt alle argumenten van zoon en schoon dochter in rap tempo: ‘Je begrijpt gewoon niet hoe dat tegenwoordig werkt, mam.’ ‘Het is een andere wereld dan die van jou.’ ‘Er rijdt geen postkoets meer met een brief die er twee weken over doet om te arriveren op het juiste adres.’ ‘Het moet snel. Sneller. Snelst.’ ‘Het succes is voor degene die het eerst reageert.’ ‘Wie te laat is, verliest.’ ‘Sorry.’ Dineke zucht. “En dan pakken ze die kinderen in en rijden ze naar huis. Ze zwaaien nog wel. ‘Dag oma! Tot vrijdag!’ en daarna kijken ze weer op hun schermpje. Want die zitten in de auto. Daarop kijken ze film, geloof ik.”

Voorbeeldig gezin. Hoewel…

Brigit past elke maandag op haar vier kleinkinderen, samen met haar man Wiebe. Ze halen ze op van school en daarna begint het heen en weer brengen naar voetbal, turnen, drumles en ballet. “Mijn zoon en mijn schoondochter doen het eigenlijk hartstikke goed. Afhankelijk van hun eigen persoonlijkheid. Dat wel. Ze zijn nogal aanwezig, laat ik het zo zeggen. Als ze thuiskomen, draait ineens de hele wereld om hen. Dan gaat de muziek hard en eisen ze alle aandacht op. Terwijl ik denk: het gaat om je kinderen! Maar mij hoor je niet. Ik durf er niks van te zeggen. Ik moet gewoon mijn eigen verwachtingspatroon bijstellen. Elke keer weer. Dat is het.” Ze rolt met haar ogen, terwijl ze het zegt. Want Brigit verwacht veel. En vaak. Dan stelt ze weer voor om gezellig een huisje te huren op een Waddeneiland. Dan wil ze weer een week naar een vakantiepark met een avonturenzwembad. Ze geniet ervan om met kinderen en kleinkinderen op pad te gaan. In harmonie. Dat lukt maar zelden.

“Die zoon en die schoondochter leven hun eigen leven, in mijn ogen. Ze besteden uren aan hun social media, waar ze prachtige plaatjes posten van een ideale papa en mama met voorbeeldige kindjes. Maar eigenlijk is dat allemaal nep. Vijf minuten is al lang genoeg voor een selfie, toch?” Ze schrikt van haar eigen woorden.
“Nou ja, zo erg is het ook weer niet, hoor. Het is dat je ernaar vraagt. Laatst zaten we nog een nachtje in het Eftelinghotel. Maar ze willen niet meer met z’n allen op wintersport. Ik laat Wiebe meestal bemiddelen, als ik boos ben. Of teleurgesteld, omdat ik alweer moest bijstellen.” Ze lacht er spottend bij. Ze laat Wiebe tegenwoordig trouwens altijd bellen. Want als zij belt, neemt haar zoon op met: ‘Ja? Wat nu weer?’ Tot nu toe praten ze alles uit, zegt ze. En er is gelukkig een uitlaatklep. Want: “Ik gebruik al mijn frustratie voor liefdevolle, doch eerlijke, kritische sinterklaasgedichten!”

Volgzame generatie

Vera past veel op. Geen vaste tijden, maar wel heel regelmatig. “Ik breng vaak de jongens naar school, gewoon omdat ik het zo leuk vind,” zegt ze. “De oudste is alweer vijf. Het gaat allemaal zo snel.” De jongste van drie zet ze af op de peuterzaal. “Daar hebben ze tot nu toe nog niet gevraagd naar de inentingen.” Ze kijkt er bezorgd bij. Het is een regelmatig weerkerend onderwerp in de gesprekken met haar dochter. Want die heeft besloten haar kinderen niet te laten vaccineren. En daar is oma Vera het niet mee eens. “Het zou mij wel uitkomen als alle kinderdagverblijven het verplicht stelden. Dan moet ze wel. Toch? Maar nu houdt ze zich vast aan de argumenten van de anti-vaxxers. Je moet er toch niet aan denken dat hier een uitbraak van polio komt?”

Vera en ik hebben er al vaker over gepraat. Ze staat er door alle argumenten van haar dochter genuanceerder in dan ik. Want ik vind dat je beter kunt voorkomen dan genezen. Vooral omdat er in veel gevallen geen genezen aan is. Dus inenten. Klaar. Vera vindt dat er misschien te jong wordt geënt. Dat je een baby nog even moet ontzien. En daarna in elk geval tetanus. Zodra ze gaan kruipen. Zo heeft ze een heel stappenplan in haar hoofd om haar kleinzoons te beschermen.

“Maar dat ga ik ook weer niet elke keer aan mijn dochter voorleggen. Dat zou haar van me afstoten. Dan denkt ze: daar heb je mijn ma weer met haar gezeur over die inentingen.”

“Hebben wij het dan vroeger zo verkeerd gedaan? Dat we onze kinderen hebben laten inenten zonder ons af te vragen of het kwaad kon?” vraag ik me hardop af. Vera vindt van niet. Haar dochter is het met haar eens. Maar die laatste vindt wel dat onze generatie volgzaam was. Gezagsgetrouw. Kritiekloos. Slecht voorgelicht ook. Ze zegt nog net niet dat we dom waren, maar als ik nu lang genoeg zwijg, gebruikt ze dat woord misschien ook wel. Als haar dochter weg is, kijken Vera en ik elkaar aan.
“Waarom zijn we zo voorzichtig met onze kinderen? Zijn we nog steeds volgzaam? Luisteren we nu naar hen?” vraag ik me af.

“We willen ze niet kwijt. Dus accepteren we alles,” antwoordt Vera.

“Ik zeg altijd precies wat ik vind,” vertelt Fien, oma van een kleindochter van tien. “En ik vind dat die moeder er een zootje van maakt. Die brengt angst over op dat kind. Want ze mag niks! Ze mag niet vies worden, de hond mag haar geen likje geven, ze mag niet in de boot zonder zwemvest, alles is eng.” Die moeder is haar schoondochter. Fien heeft een ontzettende hekel aan haar en dat is wederzijds, want op de vraag of ze op haar kleindochter past, antwoordt ze fel: “Nee. Ze mag niet bij oma. Als ik bij hen op bezoek ben, gaat dat kind met een grote boog om me heen. Geïndoctrineerd door haar moeder. Ik heb haar als baby welgeteld één keer vastgehouden. Eén keer.” Haar zoon komt haar weleens ophalen, met zijn dochter. Dan gaan ze met z’n drieën naar een zwembad. Dat is wel leuk, vindt Fien. Maar ook raar. Want dat mag die schoondochter niet weten. Op de terugweg van het zwembad zat haar kleindochter op de

achterbank te facetimen met haar moeder. ‘Waarom zit je niet naast papa?’ wilde haar moeder weten. Waarop het kind antwoordde: ‘Ik wilde graag achter in de auto, want dan kan ik even liggen. Ik ben zo moe.’ Onderwijl legde Fiens zoon achter het stuur zijn vinger op zijn lippen en zei: ‘Ssssst.’ “Dus dan moet dat kind liegen,” vertelt Fien verontwaardigd. “Omdat ik in de auto zit. Nou, als ik die moeder vandaag of morgen ergens tegenkom, zal ik haar eens zeggen wat ik daarvan denk!”

Fien is het extreme voorbeeld van de oma die geen blad voor de mond neemt, geen verwachtingspatroon bijstelt en gewoon vertelt wat ze van de opvoeding van haar kleinkind vindt. En van de opvoeders ook. Met als gevolg dat ze dat kleinkind maar heel af en toe ziet. En nooit ontspannen. Nooit leuk.

Komkommersalade!

“Ze zei iets heel brutaals tegen mij. Dat heb ik ook ooit tegen jou gezegd, mam,” vertelt mijn dochter. Mijn kleindochter staat erbij en kijkt beteuterd. “Kutwijf?” vraag ik. Nu kijkt iedereen me geschrokken aan. Nou nee, het was wel erg, maar zo erg was het niet. Ik buig me naar mijn kleindochter en vertel, geheel naar waarheid: “Jouw moeder zei ooit ‘kutwijf’ tegen mij. Dat was heel erg. Ik heb haar meteen een slag voor haar harses verkocht. Dat was minstens zo erg. Daar schaam ik me nog steeds voor. En daar heb ik al mijn hele leven spijt van.” Mijn kleindochter knikt vol begrip. Dat kan ze zich voorstellen. Wat een verhaal, zeg. Mijn dochter kijkt me verrast aan.

“Had je echt spijt? Dat heb je me nooit verteld!”
“Echt niet?”
“Nee!”

“Nou, het speet me echt. Nog steeds.” En tegen kleindochter: “Als je zo’n lelijk woord denkt, moet je diep ademhalen. Heel diep. En dan zeg je iets heel anders. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind je best lief, maar nu even niet.’ Of je zegt: ‘Eenhoorn!’ Of: ‘Komkommersalade!’” Kleindochter lacht en eet in het onbewaakte moment haar snoepje op.
Opvoeden. Oma zijn. Moeder zijn.
We kunnen er allebei niks van, mijn dochter en ik. Maar we doen wel vreselijk ons best.

De namen van de oma’s zijn gefingeerd.

 

 

 

Eenzaamheid is niet afhankelijk van het aantal mensen om je heen, maar van verbondenheid

Een man. Een hond. Drie kippen. Drie kinderen. Drie kleinkinderen. Leuke buren, vrienden, vriendinnen. Eenzaam? Je zou bijna zeggen: wat is dat?! Als ik me bij de feiten houd, zou er op geen enkel punt in mijn leven reden zijn geweest me eenzaam te voelen. Bovendien is mijn eigenheimer-gehalte enorm hoog en dat beschermt lekker. Maar daar heb ik dan ook jaren en jaren aan gebouwd.

Jarenlang hing een spreuk van Seneca op mijn prikbord. ‘Geluk is jezelf genoeg zijn’. De filosoof schreef het rond het jaar 0. Ik werd rustig van die spreuk. Keerde op slag in mezelf terug, als ik daarbuiten een golf van onrust voelde aankomen. Bijna als de kippen die onder hun hok duiken, zodra de hond bij ze komt buurten.

De spreuk hangt er al lang niet meer. Hij is opgeslagen in mijn systeem.
Ik leef ermee en ben dankzij deze basis een blije eigenheimer die zijn eigen gang gaat en wel verbonden is met anderen, maar niet afhankelijk van ze is. Dat voelt prettig.
Maar eigenheimers als ik zijn niet zomaar aan het bouwen geslagen.
Ik weet maar al te goed wat eenzaamheid is. Hoe het is om je niet ten diepste verbonden te voelen met anderen. Terwijl je daar wel naar hunkert. Mijn gevoel van eenzaamheid was het meest overweldigend toen ik jong was. Veel jonger dan nu. In de tijd dat ik het loeidruk had met drie kleine kinderen, een huishouden, baan, depressieve vader en demente moeder in een verpleeghuis. Juist toen voelde ik me verschrikkelijk eenzaam. Eenzaamheid is niet afhankelijk van het aantal mensen om je heen. Eenzaamheid is afhankelijk van verbondenheid. Het helpt enorm als je kunt uitspreken wat je voelt. En als een ander je hoort.

Ik zal nooit vergeten wat een vriendin me ooit vertelde. Nadat haar moeder was overleden, reed ze naar het strand. Het regende en het stormde. Ze liep langs de vloedlijn en schreeuwde tegen de zee. Heel hard. Heel lang. Regenwater en tranen liepen over haar wangen. Ze zei: ‘Ik voelde me op slag zo in de steek gelaten door haar dood. Zo eenzaam. Dat schreeuwen hielp enorm. Maar het helpt me nog meer als ik het aan mensen vertel die naar me willen luisteren. Dan krijg ik die verbondenheid een beetje terug en wordt mijn gevoel van eenzaamheid heel langzaam minder.’

Ik ben vanuit eenzaamheid gegroeid naar eigenheimer. En een eigenheimer als ik kan heel goed luisteren. Zodat een ander zich gehoord voelt. Hoe gaaf is dat? Hoog tijd om me op te geven als Belbuddy.

En jij? Bellen? Gebeld worden? Het kan allemaal. Verbinden helpt echt.

Ook vrijwilliger worden van de Luisterlijn?
Meld je aan via De Luisterlijn vrijwilliger

Of lees het hele artikel hier

‘Ik wil dolgraag kippen,’ kreun ik tegen mijn dochter. ‘Kip in het pannetje. Heerlijk,’ zegt Jan

 

“Ik heb een broedmachine gehuurd. Ik broed nu tien kippeneieren uit!”
Dat zei oudste dochter een paar maanden geleden. Jan schudt meteen zijn wijze hoofd en teletransporteert alle bezwaren die verstandige mensen daartegen kunnen bedenken in mijn hoofd. Wat moet je met tien kippen driehoog in Amsterdam?
Er komen drie eitjes uit. Cochinkrieltjes. Die al snel uit de broedbak klimmen en moeten verhuizen naar iemand met meer ruimte. Ze gaan naar vriend van dochter, in bezit van een postzegeltuin. Wij krijgen filmpjes te zien van drie babykippen die achter haar aan rennen als ze over het gras loopt. Als ze ‘Kip,kip,kip’ zegt, houden ze hun koppies schuin en praten ze terug. Een zacht, zoet klokkend geluid.

“Ik wil dolgraag kippen,” kreun ik tegen haar. “Ja. Weet ik,” zegt ze.

Er volgt een charmeoffensief van maanden. Cochinkrieltjes krabben de planten niet uit je tuin. Dat kunnen ze helemaal niet, met die veren aan hun voeten. Ze eten piespotten die de hortensia’s overwoekeren. En blauwe muntkevers. Ze zijn superintelligent. Ze zijn zo leuk. En tam. Handtam! Kijk dan, Jan!

“Kip in het pannetje. Heerlijk,” zegt Jan.

Op een dag komt dochter met een gehuurde transport bus voor de deur. Daarin staat een enorm roze kippenhok. “Mag het zolang in de schuur?” “Natuurlijk!” Dat ben ik. Jan zwijgt. Het roze hok vult de halve schuur en wat Jan daar ook van plan was, het kan voorlopig niet doorgaan. “Maar als ik er plaats voor heb, kom ik het hok  meteen halen!” belooft ze. Dat komt er maar niet van. De opgestuurde kippenfilmpjes worden elke week leuker. Er is een zwarte haan en een zwarte en een blonde kip. Ze doen hun ogen dicht als je ze kroelt.

“Mogen ze deze vakantie wel een paar daagjes bij jullie logeren?”
Mijn standaard reactie: “Natuurlijk!” Jan zwijgt weer. Dat doet hij ook nog als er een schilderploeg wordt samengesteld van kinderen en grote mensen die op een zondagmiddag het roze hok overschilderen met witte en groene verf, in dezelfde kleuren als ons huis. “Want stel je nu voor dat jullie er erg aan gehecht raken tijdens de logeerpartij?” zegt dochter. Jan verft niet mee. Maar hij haalt wel heel zorgzaam de verf uit mijn haar als er een pas geschilderde kippentrap tegen m’n hoofd valt.
We houden de honden een paar daagjes binnen. Want voorlopig zitten die kippen nog in een heel klein hokje. Ze springen zo hun rennetje uit en scharrelen de hele tuin door. En het grote hok is nog niet goed droog. Voordat we straks gaan shoppen voor tuinpalen en volièregaas om een ren te bouwen, doe ik nog snel de kippenvoordeur voor de tweede keer. Ik laat het Jan zien. Een rode deur. Zelfde kleur als onze eigen voordeur. En dan is er een doorbraak. Hij glimlacht.

20-41 Marjan