Blog

En dan zingen we ‘You’ll never walk alone’. Of is dat te erg? Ja. Dat is te erg. Dus we doen het

“Die arme Riet. Tot haar knieën in de corona en ook nog eens geen verjaardag.” Ze is een bijzonder mens, buurvrouw Riet. SEH-verpleeg- kundige (SpoedEisendeHulp) en daardoor van onschatbare waarde voor iedereen op ons dijkje. Wij consulteren altijd eerst haar. De huisarts ziet ons zelden. We hoeven niet eens bij Riet langs. We appen gewoon een foto en zetten er iets bij: ‘Ik heb hier overal pukkels, Riet. Kan dat kwaad?’ En dan Riet: ‘Nee joh.’

En ze zou met pensioen. Ze had al een cateringbedrijf opgericht met een oud-collega die ook heel lekker kan koken, ze zou brocantemarkten bezoeken met haar zus en daarvoor geregeld strooptochten naar ouwe meuk uitvoeren in nabije buitenlanden en ze zou dit najaar met mij samen alcohol gaan stoken. Daar moeten we nog een distilleerketel voor aanschaffen en aandelen uitgeven aan fruitbomenbezitters in ons dorp. Kortom: ze had er ernstig voor gewaakt in een gat te vallen.

Toen kwam de corona. Dus werkte ze door op verzoek van haar bazen. Riet heeft nergens meer tijd voor. Maar nu is ze jarig. Wat ooit een prachtig feest had moeten worden, werd een eenzame quarantaine. Met man, twee honden en een afhaaldiner.

“Die arme Riet,” zegt de buurvrouw van nummer 1 nog maar eens. “Als we nu eens voor haar gaan zingen?”
We wonen aan een ringvaart. Aan de overkant van de ringvaart is een wandelpad. Als we ons daar opstellen, met alle gezinnen van de dijk, kunnen we Riet toezingen.

“Met sterretjes in onze handen,” bedenkt nummer 1, die op dreef is. En omdat ik daar niet voor onder wil doen, zeg ik: “En dan zingen we ‘You’ll never walk alone’. Of is dat te erg?” Ja. Dat is te erg. Dus we doen het. Als de zon bijna ondergaat, verzamelen we ons met een stuk of zeven gezinnen bij de brug. We leggen teksten neer en sterretjes. Zodat je zelf kunt pakken. Nummer 1 heeft een luidspreker aan haar telefoon gekoppeld; Lee Towers himself doet via YouTube mee.
Daar staan we dan. Gezinsplukjes op anderhalve meter van elkaar. Op de dijk aan de overkant van de vaart. We emmeren met die sterretjes en branden onze vingers aan ouwe aanstekers. En we zingen. Nou, eigenlijk schreeuwen we. “Walk on! With hope in your heart!” Riet staat in haar tuin. Zwaar aangedaan. Haar man reikt haar in rap tempo de ene tissue na de andere aan. Er is geen houden aan. Na afloop roept Riet bij de voordeur dat dit haar mooiste verjaardag ooit was. Wij lachen haar op gepaste afstand toe. Missie geslaagd.

Als het nu ook maar lukt om dat vreselijke lied weer uit mijn hoofd te krijgen.

Ik zou kunnen demonstreren. Maar ik kan ook aanvaarden dat het is zoals het is

“We kunnen hier een waardevolle les uit trekken,” zegt de man die op anderhalve meter afstand toekijkt hoe ik de rand van de dijk bewater.
Die rand heb ik ingezaaid. Vol zaad van wilde bloemen voor bijen en vlinders. Vorig jaar verzamelden we zaad van uitgebloeide bloemen die de gemeente had ingezaaid in de bermen van het dorp naast ons. Ik had er nog wat raadsleden over gemaild, maar kreeg nul op ’t rekest. De gemeente bepaalde met doe-teams waar het zaad kwam en ik kon niet op eigen initiatief een zakje zaad van ze krijgen. Kopen dan? Op dat verzoek kreeg ik niet eens meer antwoord. Dus stapten buurvrouw Riet en ik na elk bezoek aan de sportschool even uit bij de wildebloemenberm en daar verzamelden we zaad. Dat was dus in 2019. Toen je nog naar de sportschool mocht.

Nu is het 2020. Het jaar waaruit we lessen moeten trekken. Ik zeg niks tegen die man. Ik knik niet aanmoedigend, trek m’n wenkbrauwen niet op, ik doe helemaal niks. Want ik weet nu al dat dit een man is met een missie. Hij zal me al die waardevolle lessen uitgebreid uit de doeken doen. Tot de allerlaatste wijze regel. De pomp loopt, ik beregen vol aandacht het ontkiemde zaad en wacht af.

Daar gaat-ie. Milieu, schone lucht, nieuwe waarden, aandacht voor het gezin, inkeer, mindfullness, meditatie, bladiebla, de wijsheid stroomt en is niet te stuiten. “En er waren natuurlijk ook veel te veel mensen,” besluit de man. Ik denk dat hij daar een punt heeft en hoop dat hij nu vertrekt. Dat doet hij. Eén mens minder op de dijk.

Wat ik van dit virus heb geleerd? Dat totalitaire systemen altijd liegen. Dat ze daarvoor bij tijd en wijle worden geprezen, want dat komt dan politiek net even lekkerder uit. Dat het virus geen gelijkmaker is. De zwakkeren en de armen zijn de klos, zoals altijd al. Buikvet is een risicofactor. En zwaarlijvigheid is vaak een gevolg van armoede, zeker in de VS, waar gezond eten kostbaar is. In contactberoepen loop je natuurlijk meer risico om met het virus besmet te raken. Taxichauffeur, bejaardenverzorger, ik noem maar wat. En juist in die beroepen verdien je het laagste loon.

Waardevolle lessen? Ik leer eigenlijk alleen maar dat de wereld geen rechtvaardige plek is en dat neuzen nooit dezelfde kant op gaan, zelfs niet als we als mensheid in ons bestaan worden bedreigd.
Ik zou kunnen demonstreren. Op de dijk. Met een groot wit laken met daarop: ‘Een oplossing vind je samen’. Ik zou ook m’n schouders kunnen ophalen en aanvaarden dat het is zoals het is en nooit wordt zoals ik droom. Of misschien iets daartussenin. Strijdbaar in lijdzaamheid.
Wilde bloemen zaaien. Veel wilde bloemen voor bijen en vlinders.

Lees hier het artikel 20-26 Marjan

We werden op de hoogte gehouden van een nest katjes op nummer 3 en nieuwe grindtegels op nummer 14

Je zult maar Lieve heten. Twaalf jaar zijn. En ineens bedenken dat jouw toekomst misschien ergens in de journalistiek ligt. Dus je maakt een krant. Eén blaadje, handgeschreven op een vel uit je multomap. Je noemt hem Het Zonnige Nieuws! En je stopt dat blaadje in de brievenbus van de overburen. Van ons dus. Ik werd er vorig jaar, ergens in mei, op slag gelukkig van. Die lieve Lieve.

“Lees dan, Jan! Aan de overkant hebben ze een trampoline! En die van de hoek hebben een nieuwe eettafel en stoelen. De tafel heeft de buurman zelf gemaakt.”

Nu was Jan vorig jaar nog druk bezig zelf een dagelijkse krant uit te brengen, dus die vond dit nieuws niet zo opzienbarend. Maar ik kikkerde er erg van op. Dus ik schreef haar een brief. Dat ze een gat in de markt te pakken had met haar ‘Zonnige Nieuws’. Dat ik wel vaker zo’n krant wilde ontvan gen. Sterker nog: ik wilde me abonneren. Kon dat? De journalist in Lieve maakte onmiddellijk plaats voor de ondernemer. Er broedde iets aan de overkant op die trampoline. Onderwijl begon ze haar markt te vergroten. Dat begreep ik doordat ik geen origineel geschreven nieuws meer ontving, maar kopieën. Buurvrouw Riet kreeg een keer een origineel A4’tje, raakte intens vertederd en kreeg de week erop prompt een kopie. Slimpie, die Lieve.

Een maand later kregen we een briefje. ‘Wat leuk dat u zich op Het Zonnige Nieuws wilt abonneren!’ stond er. Elke week zonnig nieuws, op elk moment opzegbaar, voor € 5 per maand.

“Dat is duurder dan jouw krant,” zei ik tegen Jan. Ik schreef andermaal de uitgever/journalist/eindredactie/bezorging een brief. Dat ik de kosten van dit abonnement niet echt in de categorie ‘Zonnig Nieuws’ vond vallen en of ik misschien een andere aanbieding tegemoet kon zien? Die kreeg ik.

De prijs kelderde in één keer van € 5 naar € 2. “Mijn moeder vond het ook al te duur,” zei Lieve me, toen ik haar tegenkwam. En voor die twee euro was het ook nog heel goed te doen, vond ze. Zeker omdat ze af en toe op vakantie ging naar Schiermonnikoog en dan geen krant schreef. Maar verder werden we op de hoogte gehouden van een nest jonge katjes op nummer 3, nieuwe grindtegels op nummer 14 en een puppy op nummer 9A.

Op 28 oktober 2019 verscheen het laatste nummer van Het Zonnige Nieuws. ‘Omdat ik erachter kwam dat het heel lastig is om nieuws te vinden en omdat ik het vaak vergeet doordat ik andere dingen doe’, schreef Lieve. En daaronder: ‘Wilt u alstublieft nog € 2 betalen voor de maand oktober?’ Ik betaalde. Met een bedankbrief erbij.

Sindsdien komt er geen zonnig nieuws meer. En een tijdlang kon ik prima zonder. Maar nu? Lieve! Kom op met je ‘Zonnige Nieuws!’

Lees hier het artikel 20-25 Marjan

‘Steengoed was ik,’ zegt hij trots. En ik knik. Ik weet het. Ik kan dat verhaal wel dromen. Hij heeft het váák verteld

“Kijk! Daar is-ie. De Brief van AZ.”
Ja hoor, denk ik. Daar is-ie weer. Er zijn verhalen die echtgenoten eindeloos kunnen blijven herhalen. Over van die momenten in hun leven dat ze godenzonen waren. Dat het geluk hun toelachte. Onoverwinnelijk. Een toekomst vol melk en honing in het verschiet. Voor Jan is dat moment De Brief. Met hoofdletters. De brief van AZ.
Ik had De Brief niet eerder gezien. Maar nu, tijdens door corona veroorzaakte opruimaanvallen, duikt de brief op tussen een stapel oude kranten, waaruit hij nog recensies moet knippen van zijn rijke voetbalverleden.
“Nu kun je het zelf eens lezen,” zegt hij trots.
De brief meldt: ‘In de loop van het nu eindigende seizoen werden wij opmerkzaam gemaakt op uw voetbalkwaliteiten.’ En: ‘…. zouden ook onze trainers gaarne nader kennis met u willen maken en u aan een test onderwerpen.’
“Ik was echt steengoed,” zegt hij. Onderwijl vouwt hij de brief weer zorgvuldig in vieren en schuift hij deze in de envelop met het oude AZ-logo. Een rode stadspoort achter een blauwe molen. Alkmaar en Zaandam. De vervlogen droom krijgt een plek in de nieuw aangelegde voetbalmap.
Hoeveel voetbalmappen zouden er zijn? Hoeveel vervlogen dromen? Mijn ex voetbalde zijn hele leven in het zaterdagvoetbal. Mijn vader ging een keer met me mee om mijn aanstaande te bewonderen op het veld en maakte er een film van. Ik heb die film nog, want alle oude filmpjes heb ik ooit laten omzetten naar dvd. Dan zie je die jongen heen en weer rennen. Heen en weer. Onvermoeibaar. Alleen is er nooit een bal in de buurt. Dat maakt het zó komisch, dat niemand het met droge ogen kan aanzien. Mijn ex-man is de enige die er de humor niet van inziet. Hij zei altijd dat wij het spel niet begrepen en niet doorhadden wat een waardevolle rol hij speelde door heen en weer te rennen. En ook hij koestert zijn krantenknipsels.

Een jeugdvriend vroeg ik laatst wat hij als geluksmoment ervaart in zijn leven. Vraag het een vrouw en je hoort: ‘Toen ik voor de eerste keer mijn baby vasthield.’ Of: ‘Elke keer als ik chocolade eet.’ De vriend zei: “Als ik na een voetbalwedstrijd smerig en bezweet met mijn team in de kleedkamer zit. Nog steeds. Ook nu bij de veteranen.”

Jan vouwt zijn knipselmap dicht en zegt: “Steengoed was ik. Maar ja, vlak voordat ik moest voorspelen bij AZ, schopten ze m’n knie aan gort.” Ik knik. Ik weet het. Ik kan dat verhaal wel dromen. Hij heeft het me al zo vaak verteld. Maar nu mag het nog een keer. Vanwege die map. Die droom. En de hervonden brief.
“Het was bij RCH Heemstede. Uit. Eerste klasse zondagamateurs. Weg voetbalcarrière.”

20-24 Marjan

Ik ben niet de enige die behoefte heeft aan iets simpels. Iets wat je niet aan de werkelijkheid doet denken

‘Jij bent vast al met je derde boek bezig?!’ Vriendin appt. ‘Je hebt nu tijd genoeg!’
Maar nee. Ik ben niet eens met een eerste boek begonnen. Want er gebeurt door de nieuwe anderhalvemetersamenleving zó veel in mijn hoofd, dat er geen verhaal meer bij past.

Positieve dingen. Zeker. Ik ruim eindelijk eens de hutkoffer op. Die staat in de slaapkamer en ik gooi er al veertig jaar foto’s in zonder ze ooit in te plakken. Er komen zes vuilniszakken ellende uit. Als ik die naar mijn grijze bak sleep, besef ik hoe gelukkig ik de afgelopen uren ben geweest. Ik heb geen seconde gedacht aan narigheid. Ik heb iets gedaan waar ik grip op had. Ik ruimde een hut­koffer leeg. Meteen begrijp ik ook die enorme files bij plaatselijke afvalbrengstations. Ik ben niet de enige die behoefte heeft aan iets simpels. Iets wat je hoofd leegmaakt en je niet aan de werkelijkheid doet denken. Heel Nederland ruimt op.
Opruimen is ook lekker overzichtelijk. Je weet precies waar je begint en ook precies waar en wanneer het eindigt. Dat is het bevredigende ervan. Jan staat al dagen op een ladder om waterborden en windveren te boenen. Hij roept vaak naar beneden: “Kijk! Je kunt precies zien waar ik ben gebleven!”

Dat willen we dus. Weten waar we zijn gebleven. Waar we staan. En hoe lang nog. Maar die gedachte wil ik niet toelaten. Terug dus naar het positieve. Naar een baby’tje dat kraamvisite ontvangt vanuit de auto. De grootouders zitten er op klapstoeltjes naast. Naar Gerard Joling die ineens in de tuin van een zorginstelling in de buurt van Schagen staat te zingen. Zonder pers. Wat het zo veel liever maakt. Zo veel echter. Een juf die haar kinderen zo mist en ze dat ook vertelt via beeldscherm. Dat ineens zo’n zevenjarige vraagt: “Juf, hoe is het nou met u?”

Jan schuift altijd zwijgend de krant naar me toe. Dan tikt hij op zo’n positief artikel. Dat moet je lezen. We worden langzaamaan zo’n stil echtpaar, besef ik nu ik dit opschrijf. Jan weet dat ik houd van zulke verhalen. Positieve blije berichten met een randje weemoed. Hoe kleiner, hoe beter. In andere tijden kan ik door zo’n berichtje de rest van de dag blijven huppelen. Blij. Onbekommerd. Zonnig. Nu schiet ik van elk verslagje vol.
Ik mompel: “O, sorry. Daar ga ik weer.” Dan schuift Jan de doos tissues naar me toe. Uiteraard zonder er iets bij te zeggen.

Op 4 mei stonden we in de tuin. We hoorden in de verte iemand de taptoe blazen. IJle klanken in de stilte. Daarna het Wilhelmus. We haalden drie regels en moesten toen naar binnen om de tissues te halen.

Misschien moet ik aan dat boek beginnen. Een vrolijk boek.

20-23 Marjan

Je familie in je armen kunnen sluiten. Dat is wel even een dingetje. Maar dat komt wel weer

 

Naar Ibiza, op zo’n wellness-reis met alleen maar vrouwen. Mediteren, yoga, beetje sporten, staren naar de zee, onder een parasol een boek lezen, lekker slenteren over een marktje. Dat zou ik gaan doen. Zes dagen lang. Ik zou er een autootje bij huren, kon ik ook nog lekker dat eiland over. En misschien mijn buuf Engels opzoeken, die op Ibiza woont. Buuf heeft haar lerarenbestaan verruild voor een supschool op Ibiza en zingt af en toe in cafeetjes en restaurants. In de winter vertaalt ze. Engels-Nederlands, of andersom. We gaven ooit les in twee aan elkaar grenzende lokalen en deelden pret en ergernis. Leuk om haar weer eens te zien.

Ik krijg de helft van de reissom terug. De organisator had de villa al gehuurd. En de eigenaar van die villa ziet zijn inkomsten dit seizoen natuurlijk ook enorm teruglopen. De helft is veel meer dan ik had verwacht. Wat ik van de vlucht terugkrijg, weet ik nog niet. In het ergste geval niks. Daar is best overheen te komen. Ik denk maar steeds: als dat het ergste is.
Met Jan zou ik naar Wales. Fly-drive. Reuzeleuke rondreis langs vier hotels en een speciale Wales-pas om al die kastelen te bezoeken. Het gaat niet door. De touroperator hoopte dat we ooit weer kunnen boeken. Dat hopen wij ook. Want we willen daar graag heen. Maar als het helemaal niet meer doorgaat, nooit meer doorgaat, dan is dat eigenlijk ook oké.

Het zijn allemaal dingen die er niet meer toe doen. Wat er nog wél toe doet? Al die clichés die je meteen opnoemt als het er echt om spant. Gezondheid, dat eerst. Op de tweede plaats: je familie in je armen kunnen sluiten. Dat is wel even een dingetje. Maar dat komt wel weer. En ik heb op een eigenaardige manier toch het gevoel dat ik ze vastheb. Heel diep in me. Verankerd voor het leven. Ik draag ze mee, al raak ik ze even niet aan. Dat is prima te doen.

Behalve dan dat bundeltje dat over een week of vier, vijf zal worden geboren. Met zo’n klein rond koppie. Haartjes ook, denk ik. Lange wimpers misschien. En van die roze wangen, waar ik dan met een voorzichtige wijsvinger even overheen aai. Dat ik dan dat bundeltje tegen me aan leg en het liedje zing van ‘Slaap als een reus’, heel zacht en met mijn lippen dicht bij dat perfecte oorschelpje. Ja, dat is vies balen, als het voorlopig niet kan.

Dus aai ik zolang vol overgave alles wat geen risico draagt. Lang leve alle honden die ik tegenkom. Alle katten ook. Kalfjes. Paarden. Kippen. Schapen. Zelfs dikke harige hommels. Heel zachtjes met mijn wijsvinger. Net als straks dat wangetje.

Lees hier het hele artikel 20-22 Marjan

Ik voel heimwee naar de tijd dat ik nog zó ontzettend kon lachen. Met haar. Om niks

 

“Kun jij je herinneren wanneer je voor de laatste keer de slappe lach hebt gehad?” Ze kijkt er somber bij, mijn vriendin. We beeldbellen en dat zou opbeurend moeten zijn. Dat had ik me ten­ minste voorgenomen. Licht en luchtig. Hoe is het nu met jou? O, gelukkig! Allemaal gezond. En bak jij ook alleen maar koekjes en cupcakes? We eten ze ook allemaal op, hè? We krijgen bolle wangen! Hahaha. Zo’n gesprek dus.

Maar zodra ze vraagt hoe het zit met mijn laatste slappelachaanval, voel ik heimwee. Pure heimwee naar de tijd dat ik nog zó ontzettend kon lachen. Met haar. Om niks. Zo verschrikkelijk de slappe lach dat we dubbel sloegen en het erger maakten door er iets aan toe te voegen. ‘O, en dat jij toen…!’ ‘Hou op!’ ‘Mijn buik… alles doet pijn nu…’

Op welk moment sloeg de bezinning toe? Zodat we nooit meer redeloos over de grond rollen, terwijl we onze buik vasthouden? Wanneer is dat gebeurd?

“Ik kan het me er niets van herinneren,” zeg ik. Net zo somber. Daarvan schieten we even in de lach. Kort. Geluidloos. “En ik weet al helemaal niet waardoor.”

“Met de slappe lach weet je dat nooit,” zegt ze. Dat is zo. Ik stond jaren voor klassen waarin kinderen geregeld de slappe lach kregen. Dat was nooit doordat ik ze de indeling van de zakelijke brief stond uit te leggen. Zo veel is wel zeker. Ik stuurde er altijd eentje de gang op met de mede­deling dat ze terug mocht komen als het over was. Ik zeg nu ‘ze’, want het waren meestal meisjes. Vaak kwamen ze dan na een paar minuten met hun hoofd om de deur, keken hun vriendin aan en zeiden: “Sorry. Het is nog niet over.” Dan kon je ze door de gesloten deur heen op de gang horen brullen van het lachen. Ik moest altijd moeite doen om niet mee te gaan doen.

“Misschien zijn we ernstig geworden door wat we hebben meegemaakt. En zijn we daardoor goed geworden in problemen,” zegt vriendin. “Dan verleer je de slappe lach. Momenteel valt er ook niet zo veel te lachen.”

Ze vertelt over haar zoon, die boodschappen bij haar komt afleveren. Hij blijft op anderhalve meter afstand en heeft haar kleindochter van twee jaar oud in een zitje voor op de fiets. Die steekt dan haar armpjes uit en roept: “Oma, uit! Oma, uit!” “Misschien moeten we focussen op wat er nog komt. Gaan we dan lachen,” probeer ik te troosten. Vriendin zucht. “Als ik denk aan alles wat nog komt, word ik nu al moe.”
Het lachrolletje dat aanzwelt in mijn buik maakt geluid. Er knort iets in mijn neus. Mijn wangen bollen. Dan is het weer over.

“Dit moeten we toch vaker doen,” merkt vriendin op. “Er zit een spiegelreflex in die slappe lach. Ik zat naar je te kijken en nam het bijna over. Bijna.”

Bekijk hier het hele artikel 20-21 Marjan

Riet zou eigenlijk al met pensioen. Eindelijk dat mondmasker aan de wilgen. Nu werkt ze toch maar even door

‘Wil je taart? Ik heb gebakken! Als je wilt, zet ik het bordje op de schutting.’
Buurvrouw appt.

‘Jaaaaa! Wanneer?’

‘Nu!’

Ik trek een sprintje naar de schutting, gil naar Jan, die ergens boven iets nuttigs opruimt: “Taart!!!” en ben net op tijd bij de schutting om mijn buurvrouw, ongetwijfeld een van de kandidaten
van Heel Holland bakt 2021, in haar huis te zien verdwijnen.
“Er staat iets in de oven,” roept ze.
“Wij testen graag!” roep ik terug. Ik hoop maar dat ze het heeft gehoord.
Leven in dit dorp bij een virusuitbraak heeft verrekt veel weg van een vrijwillige quarantaine. Er komen weinig mensen aan de deur en eerlijk gezegd vind ik dat wel prima. Het idee dat ik na mijn laatste verjaardag behoor tot wat in de richt lijnen van het RIVM beschreven staat als ‘risicogroep’, heeft er ingehakt. Ergens diep van binnen denk ik dat mijn lijf nog prima in staat is weerstand te bieden aan zo’n virus. Maar hoe lang ik erover zal doen om me weer te voelen zoals ik me nu voel, daar heb ik zo mijn gedachten over. Ik krijg het liever niet. En wat ik niet krijg, kan ik ook niet overdragen.

Ik vermijd dus buurvrouw Riet, die tot haar knieën in het werk staat op de Spoedeisende Hulp. Ze doet de triage in een tent voor het ziekenhuis. Wie verdacht is, gaat de ‘vuile kant’ op. Daar waar ze via strenge protocollen de kans op besmetting bewaken en beheersen. Als je met een gebroken enkel komt aanhinken, mag je de ‘schone kant’ op. Riet zou eigenlijk een week geleden al met pensioen. Na ruim veertig jaar eindelijk dat mondmasker aan de wilgen. Nu werkt ze toch maar even door. Ze staat in een soort astronautenpak in die tent met iets voor haar gezicht dat mij nog het meest doet denken aan een laskap. Ze is erg nodig en hoe afschuwelijk ook, voor situaties als deze is ze toch ooit dit werk gaan doen. Dus zei ze meteen ja, toen ze haar vroegen een tijdje te blijven. “Ik mag toch even geen afscheidsfeestje geven,” zegt ze nuchter. Riet zie ik nauwelijks. Die andere buurvrouw regelmatig. Met taart. Of ander lekkers. Ze is overigens niet de enige die bakt. Mijn dochter en kleindochter bakken chocoladetaartjes en muffins. Ze sturen daar inspirerende foto’s van op. Het werkt aanstekelijk. Ik bak een tarte tatin, met bladerdeeg, appel en veel lichtbruine suiker. Die hebben we samen zo op, Jan en ik. Dus maak ik boterkoek met gember.

“Dit kan zo niet doorgaan,” zegt Jan, als ik een rijstevlaai uit de oven haal. Hij heeft gelijk. We pakken hem in aluminiumfolie en brengen hem weg. Met applaus. Naar Riet.

Lees hier het hele artikel 20-20 Marjan