Je familie in je armen kunnen sluiten. Dat is wel even een dingetje. Maar dat komt wel weer

 

Naar Ibiza, op zo’n wellness-reis met alleen maar vrouwen. Mediteren, yoga, beetje sporten, staren naar de zee, onder een parasol een boek lezen, lekker slenteren over een marktje. Dat zou ik gaan doen. Zes dagen lang. Ik zou er een autootje bij huren, kon ik ook nog lekker dat eiland over. En misschien mijn buuf Engels opzoeken, die op Ibiza woont. Buuf heeft haar lerarenbestaan verruild voor een supschool op Ibiza en zingt af en toe in cafeetjes en restaurants. In de winter vertaalt ze. Engels-Nederlands, of andersom. We gaven ooit les in twee aan elkaar grenzende lokalen en deelden pret en ergernis. Leuk om haar weer eens te zien.

Ik krijg de helft van de reissom terug. De organisator had de villa al gehuurd. En de eigenaar van die villa ziet zijn inkomsten dit seizoen natuurlijk ook enorm teruglopen. De helft is veel meer dan ik had verwacht. Wat ik van de vlucht terugkrijg, weet ik nog niet. In het ergste geval niks. Daar is best overheen te komen. Ik denk maar steeds: als dat het ergste is.
Met Jan zou ik naar Wales. Fly-drive. Reuzeleuke rondreis langs vier hotels en een speciale Wales-pas om al die kastelen te bezoeken. Het gaat niet door. De touroperator hoopte dat we ooit weer kunnen boeken. Dat hopen wij ook. Want we willen daar graag heen. Maar als het helemaal niet meer doorgaat, nooit meer doorgaat, dan is dat eigenlijk ook oké.

Het zijn allemaal dingen die er niet meer toe doen. Wat er nog wél toe doet? Al die clichés die je meteen opnoemt als het er echt om spant. Gezondheid, dat eerst. Op de tweede plaats: je familie in je armen kunnen sluiten. Dat is wel even een dingetje. Maar dat komt wel weer. En ik heb op een eigenaardige manier toch het gevoel dat ik ze vastheb. Heel diep in me. Verankerd voor het leven. Ik draag ze mee, al raak ik ze even niet aan. Dat is prima te doen.

Behalve dan dat bundeltje dat over een week of vier, vijf zal worden geboren. Met zo’n klein rond koppie. Haartjes ook, denk ik. Lange wimpers misschien. En van die roze wangen, waar ik dan met een voorzichtige wijsvinger even overheen aai. Dat ik dan dat bundeltje tegen me aan leg en het liedje zing van ‘Slaap als een reus’, heel zacht en met mijn lippen dicht bij dat perfecte oorschelpje. Ja, dat is vies balen, als het voorlopig niet kan.

Dus aai ik zolang vol overgave alles wat geen risico draagt. Lang leve alle honden die ik tegenkom. Alle katten ook. Kalfjes. Paarden. Kippen. Schapen. Zelfs dikke harige hommels. Heel zachtjes met mijn wijsvinger. Net als straks dat wangetje.

Lees hier het hele artikel 20-22 Marjan