Blog

Ik woon in de polder. Ik ben een wandelend poldermodel. Ook wel ‘het stille midden’ genaamd

“Nou, jij post anders ook nooit op Facebook hoe je erover denkt. Of op Twitter. Dus waar sta jij?” Vriendin is boos. Boos op de wereld, want er is een coronacomplot waar maar één mens rijk van wordt en dat is Bill Gates. Ik loop met mijn ogen dicht dat ik dat niet heb gezien. Zegt zij. Dus is ze ook boos op mij. Ze vindt het vreselijk dat ik niet inzie dat de coronapandemie is gestart om iedereen in de toekomst te vaccineren. Vriendin is ‘anti-vaccer’. Dus dat vaccin, waar de hele wereld reikhalzend naar uitkijkt, wil zij niet. Ze wil ook geen vaccin tegen polio. Of tetanus. Ze wil niks. Vooral omdat ze denkt dat het coronavaccin een stof zal zijn waardoor wij allemaal willoos worden. Dan is Bill Gates de baas. “Maar waarom zou hij?” vraag ik dan. Ik kan me niet voorstellen dat je de baas wilt zijn van de wereld. Wat haalt een mens zich op de hals? Helemaal geen menselijke taak ook. Nooit aan beginnen, zou ik aanraden. Mijn vriendin ziet dat anders. Ze ziet ook verbanden met ‘Black lives matter’, de wereldwijde beweging na de afschuwelijke moord op George Floyd. (Nu zeg ik daar iets over. Want ik had het kunnen beschrijven als ‘tragische dood’. Maar die nuance pikt vriendin niet op.) “Daar heb je ook geen statement over gemaakt!” zegt ze.

Inderdaad. Ik had dat kunnen doen. Ja.
Maar had ik het moeten doen? Nee.

Waarom doe ik het niet? Omdat ik denk dat het niets toevoegt. Ik hoor mijn mening deels in meningen van anderen. Dan ben ik het dus deels met hen eens. Er zit altijd wel een klein randje dat ik net even anders voel. Genuanceerder. Vergevensgezinder. Of scherper. En ik wil zo graag niemand de maat nemen. Want dat doen we constant. We nemen elkaar de maat. Genadeloos. De grootste schreeuwers in het debat zijn geen passen aan het zetten op een pad dat we samen kunnen bewandelen op weg naar begrip en liefde voor elkaar. Welnee. Die zijn keihard bezig anderen van dat pad af te duwen. Als je een stukje meewandelt, krijg je algauw te horen dat je hier iets mankeert, daar iets tekortkomt en er eigenlijk niet helemaal bij hoort. Of dat je makkelijk praten hebt vanuit je vrijstaande huis met tuin en man en (klein)kinderen en hond. En dat is dan nog waar ook.

Ik ben dus niet van de polarisatie. Ik woon in de polder. Ik ben een wandelend poldermodel. Ook wel ‘het stille midden’ genaamd. We zijn met veel, in dat stille midden. We zijn heel divers. En we posten weleens wat op de sociale media. We posten de foto van twee jonge houtduiven op hun nest in de pruimenboom. Omdat we hopen dat onze vriendinnen dan vertederd raken. En minder boos.

Lees hier het artikel 20-33 Marjan

Door corona wordt de afspraak uitgesteld dus heb ik de tijd om te duimen dat het vanzelf over gaat

Ik vul de auto met geluid. Klets Jan de oren van het hoofd, tot het bijna kwart voor drie is.
“Ga nu maar,” zegt Jan, één minuut voor het zover is. Ik ben eindelijk stil en stap uit. Ga de trap op van de kliniek voor parodontologie en lees het bordje met aanwijzingen op de deur. Eerst je handen ontsmetten. Aanwijzingen opvolgen. Niemand meenemen, tenzij noodzakelijk.

En nog wat punten die ik in de paniekvlaag, die ik nu al uren zit weg te puffen, niet kan onthouden.
Er moet vandaag een schroef worden schoongemaakt. In mijn mond. Die heeft kaakchirurg Lodewijks 25 jaar geleden in mijn kaak geschroefd en daarop plaatste hij een tand. Toen hij ermee klaar was, deed hij een stap naar achteren, riep zijn vrouw die werkzaam was als zijn assistente en riep, met een breed armgebaar: “Kijk nou eens hoe mooi!” Dat is wel het allerliefste wat je kunt doen als kaakchirurg. Ik denk dus nog geregeld aan hem, al is hij allang niet meer onder ons.

Maar nu zit er ineens een pocket bij die schroef. Dat noemt mijn tandarts zo. Acht millimeter. Ontsteking. Moet je niet willen bij een schroef die je kaak ingaat. Hopla. Verwijsbrief. Bellen voor een afspraak.

“Ze kunnen dus van alles beweren. Ik heb nauwelijks ergens last van,” mopper ik een tijdje onwillig. Maar die afspraak maak ik wel. En die afspraak wordt nog aardig uitgesteld door corona, dus ik heb rustig de tijd om te duimen dat het vanzelf over gaat. Dat doet het natuurlijk niet. In de kliniek volg ik alle instructies op. Stapjes naar links om iemand te laten passeren, handen met handgel, mond met waterstofperoxide, schort over mijn hele lijf en als hoogtepunt: kap over mijn hoofd met alleen een gaatje bij mijn mond.

“Dan heeft u ook niet zo’n last van de operatielamp,” zegt de assistente ter geruststelling. Maar ik denk meteen aan zenuwachtige paarden die een kap over hun hoofd krijgen om rustig te blijven. Want dat is het natuurlijk. En het werkt niet. Mijn onderkaak begint na een kwartiertje te trillen. Ik krijg het niet onder controle.

“Nog één hechtinkje,” zegt de paradontoloog na ruim een halfuur. “O nee. Nóg eentje. Houd vol.”
Ze pakken me voorzichtig uit. Zetten me rechtop. Herinneren me eraan dat ik de trap op moet. Maken een controleafspraak en beloven me daar nog een mail van te sturen, omdat ze zien dat ik niets meer kan onthouden. En ze wijzen naar de deur. “Dáár kunt u eruit.”
Ik vind vrij snel de auto terug en stap in. Daar zegt Jan: “Barst maar los. Of houd je voorlopig liever een tijdje je mond dicht?”

Lees het bericht hier 20-32 Marjan

Als ik goed kijk en eerlijk ben, zie ik dat ze punk waren, ver voordat er punk bestond

“Ja, natuurlijk kan ik dat.”
Ik ben zelden zo van mezelf overtuigd. Maar als Jan vraagt of ik in staat ben zijn haar te knippen, aarzel ik geen moment. Ik heb de kinderen vroeger ook weleens geknipt. Hij was daar destijds geen getuige van, want hij maakte nog geen deel uit van ons leven. Hij zal het van me moeten aannemen. En hij lijdt onder plukken die opkrullen bij zijn oren. “Graag! Morgenochtend,” zegt hij.

“Ik ga morgen Jan een beetje bijknippen,” vertel ik mijn jongste kind aan de telefoon. Die verslikt zich meteen in een acute lachbui. Ze zegt: “Ik ga hem waarschuwen.” Ze hangt op en belt Jan. Hij luistert aandachtig. Bedankt haar plechtig. En zegt: “Ik ga erover nadenken.” Jongste meldt op de familieapp: ‘Mama gaat Jan knippen. Morgen.’ Zussen reageren met: ‘Och hemel. Ik heb dat nooit helemaal kunnen verwerken.’ En: ‘Ik heb er EMDR voor gekregen. Nu gaat het wel.’ Ze posten er foto’s bij van drie leuke kleine kindjes in roze joggingpakken met stoere koppies. Koppies om op slag verliefd op te worden. Korte koppies ook. Als ik goed kijk en eerlijk ben, zie ik dat ze punk waren, ver voordat er punk bestond. We waren op vakantie met een camper, ergens midden in Frankrijk. Het was warm. Ze klaagden over haar in hun ogen en ‘Zo warm, mam, in mijn nek…’ Dus ik pakte de verbandschaar en knipte hier en daar wat plukken weg. Ze huppelden blij de bergpaadjes op en verlegden stromende bergbeekjes met gevonden zwerfkeien. Drie lekkere kinderen met kortgewiekte haartjes.

Pas jaren later kreeg ik te horen dat die knipbeurt was uitgegroeid tot een jeugdtrauma. Zeker in combinatie met vreselijke joggingpakken (drie halen, twee betalen) en de jassen op de groei (mouwen drie keer omslaan). Ik heb nog zo’n jas. Ik trek hem weleens aan, als ik Bente ga uitlaten. Hij zit mij lekker ruim.
‘Wij hebben erg onder jouw kappersambities geleden, mam! Blijf van die arme Jan af!’ appt een kind. Jan verwerkt het allemaal zwijgend. Hij informeert wel of ik een kappersschaar heb. En nee, die heb ik niet. Maar ik denk dat ik met mijn keukenschaar een heel eind kom. “Misschien mag Anita snel weer aan de slag,” zegt hij. Anita knipt namelijk heel wat hoofden in dit dorp. Maar nu helaas even niet.
“Ik doe het graag voor je, hoor,” zeg ik grootmoedig. “En het is natuurlijk alleen maar bij je oren. En misschien iets aan de achterkant. En dan bovenop een beetje. Wat is daar nu aan te verknoeien?”
Ik denk dat Jan meteen daarna Rutte een brandmail heeft gestuurd. Ineens mocht die kapper weer open.

Lees het artikel hier 20-29_30 Marjan

Ik heb de neiging alles kleiner te maken. Minder belangrijk

“Doe je ook mee? Vanavond?” Ik zit in een vrouwennetwerk. Super inspirerend vind ik dat. We hebben heerlijke avonden met sprekers die ervoor zorgen dat je huppelend de meeting verlaat, totaal vastbesloten om van je eigen bedrijf een zakelijk succes te maken. Dat voel ik ook. Vaak. Maar ik heb twee kanten. Mijn andere helft vind het woord ‘meeting’ al een niet te nemen hobbel. Waarom heet dat niet gewoon een bijeenkomst? En om mijn gedoetje nu een bedrijf te noemen, dat vind ik ook weer veel. Ik heb de neiging alles kleiner te maken. Minder belangrijk. En als ik echt aspiraties krijg om iets uit te vergroten, wacht ik stilletjes af totdat die neiging gezakt is. Omdat ik in dat geval bang ben dat het te veel op werk gaat lijken. Waardoor ik het vast minder leuk ga vinden.

Nu ons netwerk niet bijeen kan komen, organiseert het bestuur Zoom-bijeenkomsten, WebConferenties, ConferenceCalls en weet ik wat nog meer. En ik denk alleen maar: dat wil ik allemaal niet. Ik ben een beetje ondergedoken in mijn coronabubbel. Ik schoffel in de tuin. Ik schrijf wat. Ik schilder een beetje. Ik pas op de kleinkinderen sinds het moment dat de scholen weer zijn begonnen. En verder? Niet veel. Net op het moment dat ik me zorgen begin te maken over mijn eigen duikgedrag, staat er een patroon in onze krant. Van een mondkapje. Vanaf 1 juni verplicht in het ov. Vier maten. Dubbel katoen, waar je een filter in kunt schuiven. Elastiekjes achter je oren. Buurvrouw Riet heeft plastic bewaarboxen vol lapjes. Een uur later zitten we op anderhalve meter van elkaar aan mijn grote puzzeltafel. We naaien mondkapjes.

We verkopen ze. Drie euro per stuk, bijna voor niks. De hele familie is al voorzien. Er komen mensen T-shirts brengen met hun bedrijfslogo. Dat verknippen wij, we zoeken er een voeringstofje bij en zijn innig gelukkig met het resultaat. Ik maak voor de mop een wit mondkapje met een grote clownsmond en een rode neus. Als je die in de trein draagt met een zwarte hoed en een zonnebril, krijgt de conducteur geheid een hartverzakking. En de rest van de passagiers ook. We bedenken daarna een modelletje Dracula met enorme snijtanden. En een konijn met twee grote voortanden en een lief zwart neusje. Zakelijke gezien is het een flop. Na uren en uren hebben we net genoeg verdiend om samen een keer te gaan lunchen. Dan mogen de mannen niet mee. Tenzij ze zelf betalen.

Maar toch, ik doe vanavond niet mee aan de netwerkmeeting. Ik heb geen tijd. Hoe inspirerend ook, ik wil die lezing niet horen. Ik zit lekker achter mijn naaimachine en ik investeer in geluk.

Lees hier het column 20-28 Marjan

En dan zingen we ‘You’ll never walk alone’. Of is dat te erg? Ja. Dat is te erg. Dus we doen het

“Die arme Riet. Tot haar knieën in de corona en ook nog eens geen verjaardag.” Ze is een bijzonder mens, buurvrouw Riet. SEH-verpleeg- kundige (SpoedEisendeHulp) en daardoor van onschatbare waarde voor iedereen op ons dijkje. Wij consulteren altijd eerst haar. De huisarts ziet ons zelden. We hoeven niet eens bij Riet langs. We appen gewoon een foto en zetten er iets bij: ‘Ik heb hier overal pukkels, Riet. Kan dat kwaad?’ En dan Riet: ‘Nee joh.’

En ze zou met pensioen. Ze had al een cateringbedrijf opgericht met een oud-collega die ook heel lekker kan koken, ze zou brocantemarkten bezoeken met haar zus en daarvoor geregeld strooptochten naar ouwe meuk uitvoeren in nabije buitenlanden en ze zou dit najaar met mij samen alcohol gaan stoken. Daar moeten we nog een distilleerketel voor aanschaffen en aandelen uitgeven aan fruitbomenbezitters in ons dorp. Kortom: ze had er ernstig voor gewaakt in een gat te vallen.

Toen kwam de corona. Dus werkte ze door op verzoek van haar bazen. Riet heeft nergens meer tijd voor. Maar nu is ze jarig. Wat ooit een prachtig feest had moeten worden, werd een eenzame quarantaine. Met man, twee honden en een afhaaldiner.

“Die arme Riet,” zegt de buurvrouw van nummer 1 nog maar eens. “Als we nu eens voor haar gaan zingen?”
We wonen aan een ringvaart. Aan de overkant van de ringvaart is een wandelpad. Als we ons daar opstellen, met alle gezinnen van de dijk, kunnen we Riet toezingen.

“Met sterretjes in onze handen,” bedenkt nummer 1, die op dreef is. En omdat ik daar niet voor onder wil doen, zeg ik: “En dan zingen we ‘You’ll never walk alone’. Of is dat te erg?” Ja. Dat is te erg. Dus we doen het. Als de zon bijna ondergaat, verzamelen we ons met een stuk of zeven gezinnen bij de brug. We leggen teksten neer en sterretjes. Zodat je zelf kunt pakken. Nummer 1 heeft een luidspreker aan haar telefoon gekoppeld; Lee Towers himself doet via YouTube mee.
Daar staan we dan. Gezinsplukjes op anderhalve meter van elkaar. Op de dijk aan de overkant van de vaart. We emmeren met die sterretjes en branden onze vingers aan ouwe aanstekers. En we zingen. Nou, eigenlijk schreeuwen we. “Walk on! With hope in your heart!” Riet staat in haar tuin. Zwaar aangedaan. Haar man reikt haar in rap tempo de ene tissue na de andere aan. Er is geen houden aan. Na afloop roept Riet bij de voordeur dat dit haar mooiste verjaardag ooit was. Wij lachen haar op gepaste afstand toe. Missie geslaagd.

Als het nu ook maar lukt om dat vreselijke lied weer uit mijn hoofd te krijgen.

Ik zou kunnen demonstreren. Maar ik kan ook aanvaarden dat het is zoals het is

“We kunnen hier een waardevolle les uit trekken,” zegt de man die op anderhalve meter afstand toekijkt hoe ik de rand van de dijk bewater.
Die rand heb ik ingezaaid. Vol zaad van wilde bloemen voor bijen en vlinders. Vorig jaar verzamelden we zaad van uitgebloeide bloemen die de gemeente had ingezaaid in de bermen van het dorp naast ons. Ik had er nog wat raadsleden over gemaild, maar kreeg nul op ’t rekest. De gemeente bepaalde met doe-teams waar het zaad kwam en ik kon niet op eigen initiatief een zakje zaad van ze krijgen. Kopen dan? Op dat verzoek kreeg ik niet eens meer antwoord. Dus stapten buurvrouw Riet en ik na elk bezoek aan de sportschool even uit bij de wildebloemenberm en daar verzamelden we zaad. Dat was dus in 2019. Toen je nog naar de sportschool mocht.

Nu is het 2020. Het jaar waaruit we lessen moeten trekken. Ik zeg niks tegen die man. Ik knik niet aanmoedigend, trek m’n wenkbrauwen niet op, ik doe helemaal niks. Want ik weet nu al dat dit een man is met een missie. Hij zal me al die waardevolle lessen uitgebreid uit de doeken doen. Tot de allerlaatste wijze regel. De pomp loopt, ik beregen vol aandacht het ontkiemde zaad en wacht af.

Daar gaat-ie. Milieu, schone lucht, nieuwe waarden, aandacht voor het gezin, inkeer, mindfullness, meditatie, bladiebla, de wijsheid stroomt en is niet te stuiten. “En er waren natuurlijk ook veel te veel mensen,” besluit de man. Ik denk dat hij daar een punt heeft en hoop dat hij nu vertrekt. Dat doet hij. Eén mens minder op de dijk.

Wat ik van dit virus heb geleerd? Dat totalitaire systemen altijd liegen. Dat ze daarvoor bij tijd en wijle worden geprezen, want dat komt dan politiek net even lekkerder uit. Dat het virus geen gelijkmaker is. De zwakkeren en de armen zijn de klos, zoals altijd al. Buikvet is een risicofactor. En zwaarlijvigheid is vaak een gevolg van armoede, zeker in de VS, waar gezond eten kostbaar is. In contactberoepen loop je natuurlijk meer risico om met het virus besmet te raken. Taxichauffeur, bejaardenverzorger, ik noem maar wat. En juist in die beroepen verdien je het laagste loon.

Waardevolle lessen? Ik leer eigenlijk alleen maar dat de wereld geen rechtvaardige plek is en dat neuzen nooit dezelfde kant op gaan, zelfs niet als we als mensheid in ons bestaan worden bedreigd.
Ik zou kunnen demonstreren. Op de dijk. Met een groot wit laken met daarop: ‘Een oplossing vind je samen’. Ik zou ook m’n schouders kunnen ophalen en aanvaarden dat het is zoals het is en nooit wordt zoals ik droom. Of misschien iets daartussenin. Strijdbaar in lijdzaamheid.
Wilde bloemen zaaien. Veel wilde bloemen voor bijen en vlinders.

Lees hier het artikel 20-26 Marjan

We werden op de hoogte gehouden van een nest katjes op nummer 3 en nieuwe grindtegels op nummer 14

Je zult maar Lieve heten. Twaalf jaar zijn. En ineens bedenken dat jouw toekomst misschien ergens in de journalistiek ligt. Dus je maakt een krant. Eén blaadje, handgeschreven op een vel uit je multomap. Je noemt hem Het Zonnige Nieuws! En je stopt dat blaadje in de brievenbus van de overburen. Van ons dus. Ik werd er vorig jaar, ergens in mei, op slag gelukkig van. Die lieve Lieve.

“Lees dan, Jan! Aan de overkant hebben ze een trampoline! En die van de hoek hebben een nieuwe eettafel en stoelen. De tafel heeft de buurman zelf gemaakt.”

Nu was Jan vorig jaar nog druk bezig zelf een dagelijkse krant uit te brengen, dus die vond dit nieuws niet zo opzienbarend. Maar ik kikkerde er erg van op. Dus ik schreef haar een brief. Dat ze een gat in de markt te pakken had met haar ‘Zonnige Nieuws’. Dat ik wel vaker zo’n krant wilde ontvan gen. Sterker nog: ik wilde me abonneren. Kon dat? De journalist in Lieve maakte onmiddellijk plaats voor de ondernemer. Er broedde iets aan de overkant op die trampoline. Onderwijl begon ze haar markt te vergroten. Dat begreep ik doordat ik geen origineel geschreven nieuws meer ontving, maar kopieën. Buurvrouw Riet kreeg een keer een origineel A4’tje, raakte intens vertederd en kreeg de week erop prompt een kopie. Slimpie, die Lieve.

Een maand later kregen we een briefje. ‘Wat leuk dat u zich op Het Zonnige Nieuws wilt abonneren!’ stond er. Elke week zonnig nieuws, op elk moment opzegbaar, voor € 5 per maand.

“Dat is duurder dan jouw krant,” zei ik tegen Jan. Ik schreef andermaal de uitgever/journalist/eindredactie/bezorging een brief. Dat ik de kosten van dit abonnement niet echt in de categorie ‘Zonnig Nieuws’ vond vallen en of ik misschien een andere aanbieding tegemoet kon zien? Die kreeg ik.

De prijs kelderde in één keer van € 5 naar € 2. “Mijn moeder vond het ook al te duur,” zei Lieve me, toen ik haar tegenkwam. En voor die twee euro was het ook nog heel goed te doen, vond ze. Zeker omdat ze af en toe op vakantie ging naar Schiermonnikoog en dan geen krant schreef. Maar verder werden we op de hoogte gehouden van een nest jonge katjes op nummer 3, nieuwe grindtegels op nummer 14 en een puppy op nummer 9A.

Op 28 oktober 2019 verscheen het laatste nummer van Het Zonnige Nieuws. ‘Omdat ik erachter kwam dat het heel lastig is om nieuws te vinden en omdat ik het vaak vergeet doordat ik andere dingen doe’, schreef Lieve. En daaronder: ‘Wilt u alstublieft nog € 2 betalen voor de maand oktober?’ Ik betaalde. Met een bedankbrief erbij.

Sindsdien komt er geen zonnig nieuws meer. En een tijdlang kon ik prima zonder. Maar nu? Lieve! Kom op met je ‘Zonnige Nieuws!’

Lees hier het artikel 20-25 Marjan

‘Steengoed was ik,’ zegt hij trots. En ik knik. Ik weet het. Ik kan dat verhaal wel dromen. Hij heeft het váák verteld

“Kijk! Daar is-ie. De Brief van AZ.”
Ja hoor, denk ik. Daar is-ie weer. Er zijn verhalen die echtgenoten eindeloos kunnen blijven herhalen. Over van die momenten in hun leven dat ze godenzonen waren. Dat het geluk hun toelachte. Onoverwinnelijk. Een toekomst vol melk en honing in het verschiet. Voor Jan is dat moment De Brief. Met hoofdletters. De brief van AZ.
Ik had De Brief niet eerder gezien. Maar nu, tijdens door corona veroorzaakte opruimaanvallen, duikt de brief op tussen een stapel oude kranten, waaruit hij nog recensies moet knippen van zijn rijke voetbalverleden.
“Nu kun je het zelf eens lezen,” zegt hij trots.
De brief meldt: ‘In de loop van het nu eindigende seizoen werden wij opmerkzaam gemaakt op uw voetbalkwaliteiten.’ En: ‘…. zouden ook onze trainers gaarne nader kennis met u willen maken en u aan een test onderwerpen.’
“Ik was echt steengoed,” zegt hij. Onderwijl vouwt hij de brief weer zorgvuldig in vieren en schuift hij deze in de envelop met het oude AZ-logo. Een rode stadspoort achter een blauwe molen. Alkmaar en Zaandam. De vervlogen droom krijgt een plek in de nieuw aangelegde voetbalmap.
Hoeveel voetbalmappen zouden er zijn? Hoeveel vervlogen dromen? Mijn ex voetbalde zijn hele leven in het zaterdagvoetbal. Mijn vader ging een keer met me mee om mijn aanstaande te bewonderen op het veld en maakte er een film van. Ik heb die film nog, want alle oude filmpjes heb ik ooit laten omzetten naar dvd. Dan zie je die jongen heen en weer rennen. Heen en weer. Onvermoeibaar. Alleen is er nooit een bal in de buurt. Dat maakt het zó komisch, dat niemand het met droge ogen kan aanzien. Mijn ex-man is de enige die er de humor niet van inziet. Hij zei altijd dat wij het spel niet begrepen en niet doorhadden wat een waardevolle rol hij speelde door heen en weer te rennen. En ook hij koestert zijn krantenknipsels.

Een jeugdvriend vroeg ik laatst wat hij als geluksmoment ervaart in zijn leven. Vraag het een vrouw en je hoort: ‘Toen ik voor de eerste keer mijn baby vasthield.’ Of: ‘Elke keer als ik chocolade eet.’ De vriend zei: “Als ik na een voetbalwedstrijd smerig en bezweet met mijn team in de kleedkamer zit. Nog steeds. Ook nu bij de veteranen.”

Jan vouwt zijn knipselmap dicht en zegt: “Steengoed was ik. Maar ja, vlak voordat ik moest voorspelen bij AZ, schopten ze m’n knie aan gort.” Ik knik. Ik weet het. Ik kan dat verhaal wel dromen. Hij heeft het me al zo vaak verteld. Maar nu mag het nog een keer. Vanwege die map. Die droom. En de hervonden brief.
“Het was bij RCH Heemstede. Uit. Eerste klasse zondagamateurs. Weg voetbalcarrière.”

20-24 Marjan