Reiger

Er staat een reiger op ons vlot. Hij staart naar het water. Ik staar naar hem. Ik denk tenminste dat het een mannetje is. Deze lijkt op zo’n ongeschoren man in een vaal regenjack met daaronder een verwassen blauw overhemd en een beige broek. Zo’n man die altijd bij een bouwput staat te kijken. ‘Wat staat dat beest daar lekker rustig’, denk ik.

Achter me krijst kleinzoon Seth Rutger. Die krijgt een ondertand. Of twee. Hij heeft griezelige vieze broeken en een overmatige speekselproductie. Hij is doodmoe en hij kan niet slapen. Ik kijk nog steeds naar de reiger en denk: ‘Oma is zwaar de klos.’ Een huilend kleinkind blokkeert elke diepe gedachte. Ik besluit Seth in de wagen te zetten en te gaan wandelen. De reiger zet zich soepel af en vliegt weg. Hij wel.

Seth doezelt. Hij staat zichzelf toe zijn oogleden ietsje te laten zakken, maar zo gauw alle licht verdwijnt, spert hij ze achterdochtig wijd open. De dijk is vier kilometer lang. De reiger vliegt vlak boven het water en haalt me moeiteloos in. Lopen is van een heel andere orde. Wat is het warm.

Wat je heen loopt, moet je ook weer terug. Seth doezelt en laat een stroompje water uit zijn mond lopen. Maar hij blijft alert. De boer fietst langs en groet. Er vaart een boot langs en de man aan het stuurwiel steekt zijn hand op. Ik groet terug. De reiger staat nu aan de andere kant van de dijk de sloot te bestuderen. Hij draait zijn kop zo, dat hij me tijdens het passeren nauwlettend in de gaten kan houden. Seth let ook op, vanonder half geloken oogleden. Stel je voor dat ze er vandoor gaat! Mij hier op de dijk laat staan! Ik zing zachtjes om hem gerust te stellen. Teddybears Picknick. Dat loopt lekker.

Ik parkeer Seth in de achtertuin en lees in de krant dat kinderopvang door opa’s en oma’s nog wel wordt vergoed, maar dat de vergoeding een stuk lager wordt dan die voor ‘gewone gastouders’. Ik leg de krant neer. Wat zijn ‘gewone gastouders’? Mag ik daar eens een foto van zien, alstublieft? De buurvrouw krijgt visite. Het is vast familie. Zelfde stemmem. Seth schrikt ervan. Hij gooit zijn buik naar voren en krijst. Ik sta op. De dijk is nog steeds vier kilometer lang. En die ligt daar ook maar te liggen. Daar gaan we weer.

Na de middagboterham doorbreekt Seth de geluidsbarrière. De buurvrouw steekt haar hoofd over de schutting en zegt: “Hij huilt veel, hè?” Ik zwijg. Wat moet ik daarop antwoorden? Het valt mij ook niet mee. “Heeft hij geen speen?” informeert buurvrouw. Het is te prijzen dat zij met die vraag Seth even overstemt. Ik zeg maar niets. Ik prik twee blaren door en ga weer op pad.

Aan het eind van de dag strompel ik langs het keukenraam van een andere buurvrouw. Die klapt over haar aanrecht van het lachen. Ik reken in mijn hoofd. Dit is een trainingsronde voor de vierdaagse. Ik heb er zeker vijfentwintig kilometer opzitten. Seth Rutger slaapt. Ik ben ook bekaf. De reiger landt op de vlonder en loopt met bedachtzame passen naar zijn oude plekje op het vlot.

De vader van mijn kleinzoon arriveert. Tegelijk met tanden breekt een glimlach door. Ik wuif vader en zoon opgelucht uit.

“Schuif eens op”, zeg ik tegen de reiger op het vlot. Samen zien we de zon onder gaan. “Da’s nog eens een mooie bouwput”, zegt de reiger.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.