TERUG
Sneeuwballengevecht
Vroeger lag er altijd sneeuw. Zoveel sneeuw, dat je er hutten van kon bouwen. Vroeger was er ook altijd ijs. Je reed met de kinderen uit de buurt op de Singel baantjes tot je thuis huilend je handen onder de koude kraan moest ontdooien. Veel vroeger lag er meer sneeuw en meer ijs. Mijn moeder schaatste iedere winter op de Zuiderzee, die nog zout was en minder snel bevroor dan nu. Mijn vader schaatste iedere winter met zijn vrienden de hele ringvaart over. Bij geen enkele brug hoefde je toen nog te klunen. Vroeger kregen we levertraan voor meer weerstand, nadat we in de teil op tafel waren gewassen. Een dropje toe voor de vieze smaak. Vroeger gooide je de schillen van de kerstsinaasappel in de allesbrander. Als je naar bed ging, kreeg je de deksel van de kachel mee, zorgvuldig in een oude handdoek gewikkeld. Want boven in de slaapkamer vroor het nog harder dan buiten. En de as uit de asla gooiden we uit over de stoep, om te voorkomen dat voorbijgangers hun nek braken. Vroeger maakten we op het schoolplein zulke lange ijsbanen dat je glijdend en gillend van de ene kant naar de andere raasde. Totdat de buurman van school daar 's nachts zand overheen strooide om van de herrie af te zijn. Kortom, als ik over vroeger ga mijmeren, rollen mijn dochters met hun ogen en kijken mij aan of ik afkomstig ben uit de prehistorie. Tot er sneeuw ligt. Eindelijk sneeuw. In de kerstvakantie nog wel! Hoe lang is dat geleden? En nog plaksneeuw ook, uitermate geschikt voor een sneeuwballengevecht. Dat poedergedoe, daar zijn we het allemaal over eens, verdient de naam sneeuw niet eens. Maar dit! De eerste buurtbewoners wagen zich al voorzichtig buiten en proberen met een kanonnade op ons keukenraam een uitval uit te lokken. Het duurt geen kwartier of de hele buurt staat, in twee kampen verdeeld, ballen te kneden en te gooien. Laska loopt er blaffend tussendoor en eet af en toe onze munitie op. De straat achter ons is de vijand en ons kamp probeert met veel succes een stormloop uit. Laf voeren ze een omtrekkende beweging uit via de steeg en vallen ons in de rug aan. Maar onze buurman heeft alle sneeuw die net nog op zijn auto lag, laten vallen op hun aanvoerder. Die retourneert het blok sneeuw onmiddellijk, waarna wij in paniek en vergeefs dekking zoeken achter elkaars rug. Als Amber de deur uit probeert te komen om onze gelederen te versterken, krijgt ze zo'n bombardement te verduren dat ze de rest van het gevecht vanachter het raam bekijkt. Ik heb het de hele zomer nog niet zo warm gehad als nu. En ik weet dat later, veel later, de meiden mijn kleinkinderen vertellen over dit sneeuwballengevecht. "Vroeger lag er zoveel sneeuw. Veel meer dan nu. Vraag maar aan oma." Dan knik ik. En vertel over nog vroeger. Zodat mijn kleinkinderen me aan kunnen kijken met diezelfde blik. Die van de prehistorie. Dat vind ik nu een gedachte die me intens gelukkig kan maken.
Afdrukken

