TERUG

Sneeuw



"Mag ik straks even naar buiten om een sneeuwpop te maken?" Kirsten drukt verlangend haar neus tegen de ruit. Buiten heeft een dun laagje sneeuw de wereld omgetoverd tot een sprookje. De bomen en struiken staan wit bepoederd te pronken. En er ligt ijs. Die wonderen gebeuren natuurlijk net wanneer je ziek bent. "Blijf jij nog maar lekker een dagje binnen. Je begint net een beetje op te knappen", zeg ik. Verstandige moeder, o ja, zeker. Maar ook zelfbelang. Want ik heb mijn benen uit mijn gat gerend met al die zieken in huis. En ik zal de dag prijzen dat alles weer zijn gewone gang gaat. Merel rommelt nog wat nagriepend rond, Jan is nog steeds geveld, maar Kirsten voelt zich al weer een hele piet. En de witte wereld lokt. Als Amber uit school komt, haar schaatsen om haar nek slingert en wegfietst naar de ijsbaan, wellen dikke tranen in haar ogen. "Morgen is alles vast weg", zucht ze. "Het ijs, de sneeuw. Alles." Ik ben er ook bang voor, maar voorlopig zeg ik dat maar niet. Bovendien heb ik met al die drukte thuis zelf ook nog niet de gelegenheid gehad om de schaatsen onder te binden. Zonde. Maar pech gehad. "Ik heb brood voor de vogels. Ga maar voor het keukenraam kijken", beloof ik haar een pretje. Voor het huis ligt een brede vaart. De vaargeul ligt wijd open, daar kwam gisteren nog een enorme boot doorploegen. Zonde van het ijs, want dat schip moest dezelfde weg terug. Even verderop bij de sluis ligt alles dicht. Wij mopperen op die zinloze vernieling van onze toekomstige ijsbaan, maar de vogels zijn de kapitein diep dankbaar. Ze dobberen in grote groepen in de smalle strook water. Op het steigertje gooi ik een handje brood op het ijs. "Kom maar jongens", lok ik. Binnen twee tellen gebeurt het. Een enorme wolk meeuwen vliegt om me heen. Eenden komen van alle kanten aangevlogen, maken noodlandingen op het ijs en glijden door tot vlak bij de steiger. Sommigen eindigen hun glijvlucht met hun snavel op het ijs. Een feestmaaltijd! Wanneer de meeuwen vlak boven hun koppies dalen om een korstje mee te pikken, duiken ze plat neer. Meeuwenpoten zijn, denk ik, akelig scherp en de eenden hebben daar ervaring mee. Ik probeer uit alle macht de stumpers te voeren die niet dichtbij durven komen. Gelukkig, die hele zielige heeft nu ook een stukje te pakken. Als alles op is, blijf ik nog even staan kijken. De meute vliegt en dribbelt af, richting vaargeul. Ze laten prachtige sporen na in het dunne laagje sneeuw. De rust in dit witte landschap is overweldigend. En het ruikt zo lekker buiten. "Wat is de wereld mooi hè, in de winter", zeg ik tegen Kirsten, als ik stampend en op mijn handen blazend weer binnen kom. Haar neus laat een vettig rondje na op het raam. Haar ogen hunkeren. "Was ik maar een meeuw", zegt ze spijtig. Ja, over al dat wit heen vliegen, dat lijkt me ook wel wat. Winterkinderen zijn we. "Morgen", beloof ik en ik warm mijn handen aan de hare. "Morgen."

Afdrukken