TERUG
Professor
"U bent mijn laatste hoop", zegt een oud dametje als ik in Amsterdam mijn auto uitstap. "Ik loop namelijk al de hele ochtend rond en word van hot naar her gestuurd" Ze is klein, okselhoogte. Ze draagt een dikke grijze jas, een enorme hoofddoek waar geen plukje haar onder vandaan komt en grijze moonboots. In haar hand heeft ze een plastic tasje vol papieren. Een beetje eigenaardig. Een beetje zonderling. Ze doet me denken aan een wereldvreemde professor die in haar achterkamertje urenlang geschriften uit het Sanskriet vertaalt. Maar misschien komt dat omdat ze een beetje bekakt praat. Licht Aerdenhout, een vleugje Wassenaar. "Ik heb een kaart bij me. Dat moet de oplossing zijn", meld ik. Ze zucht van opluchting. Haar handen trillen als ze meekijkt omdat ik de straat die ze zoekt niet zo gauw kan vinden. "Gaat u eerst maar even in de auto zitten", bied ik aan. Ik heb al lang besloten om haar te brengen als het gezochte adres een eind uit de buurt is. Ze laat zich op de passagiersplek zakken alsof ze echt aan het eind van haar Latijn is. En als ze me vertelt welke plekken ze in de hoofdstad allemaal heeft gezien, kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Ze laat haar plastic tasje los en blaast op de kromme witte vingers. Ik zie dat het hengsel van het tasje stuk is. Ze heeft het gerepareerd met roze wol. "U heeft geen handschoenen aan. Dat is toch veel te koud", mopper ik een beetje. Inderdaad, dat is dom. Maar die zitten in haar goede tas. En als je naar Amsterdam gaat... Dat snap ik toch wel? "Ik ben zelfs een horeca-gelegenheid in geweest om de weg te vragen. Maar wel een keurige zaak hoor", stelt ze me gerust. In de onderkaak van mijn kleine professor prijkt een rijtje zwarte stompjes. Als ik de straat heb gevonden en zie dat hij aan de overkant van de gracht ligt, bied ik haar aan even mee te lopen. Het wordt in dank aanvaard. Ook de arm komt van pas, zeker als ik haar over een hoge brug moet sleuren. Ze puft en hijgt en lacht als ik opmerk dat het wel een bergwandeling lijkt. "Ik ben veel te laat voor mijn bespreking. Nou ja...", zucht ze. Het opgegeven adres heeft een bordje naast de deur met: 'Sociaal Pension'. Ze dankt me hartelijk, noemt me een reddende engel, geeft me een koud handje dat ik warm wrijf met de preek: "Veel koffie drinken en goed opwarmen, hoor! En niet meer van die einden gaan lopen. U moet maar een lift vragen als u terug moet." Ze belooft en knikt en lacht en zwaait tot ik de straat uit ben. "Dat is een opvang voor daklozen", zegt Jan, als ik het avontuur vertel. Ik kijk hem vol ongeloof aan. Zou mijn professor zwerven? De kleine dame heeft me zonder iets te zeggen aan het denken gezet. Een lesje een professor waardig.
Afdrukken

