TERUG

Open brief aan allen die...



Even mevrouw Van Dijk sussen, die zo vreselijk huilt. Even meneer Goedhart het toilet wijzen dat hij niet meer kan vinden. Mevrouw Zalinge wordt vandaag extra feestelijk aangekleed. "U bent jarig", zegt de zuster stralend tegen het kleine grijze dametje. Ze glimlacht. "Het is feest!" Tafels dekken met brood en gekleurde hagelslag. Daarna zonder brommen al die gemorste feestelijke prethagel snel opzuigen. "Zal ik uw nagels lakken? Straks maken we de bedden wel op." Daar heb ik zo'n bewondering voor. Voor al die verzorgers van verdwaalden in de tijd. En voor al die vrijwilligers die daar hun steentje aan bijdragen. Die, als je ze een complimentje geeft, hun schouders ophalen. Het is immers hun werk? Ik heb het nooit echt geloofd. Het is meer dan werk. Zoveel meer. Tussen al die zorg door, vinden ze tijd om de tranen van de bezoekers te drogen. "Ga maar, het komt wel goed." En wie bijna struikelend de uitgang vindt, ziet de deur open gaan. De enige deur die voor de bewoners gesloten blijft. Je moeder blijft achter. Of je vader. Een stukje van jou blijft daar ook. In dat tehuis. Maar je weet dat ze niet alleen zijn. Daar is Margreet die moeder een mooie ketting omdoet. Daar is Rob die vader helpt zoeken naar zijn pantoffels. Daar is Joke die heel geduldig moeder hapje voor hapje een advocaatje met slagroom voert. Want daar is ze zo dol op. En stagiair Jaap rookt even lekker een sigaretje met je vader. "Gezellig hè", knikt ie dan. En je vader knikt terug. Ook heb ik bewondering voor dat ene meisje, dat durfde erkennen dat ze het even niet meer aankon. Ze solliciteerde en werd postbode. "Ik moet even afstand nemen. Maar als het weer gaat, dan kom ik terug", beloofde ze. Werk? Nee, meer dan werk. Ik heb diep ontzag voor wat jullie doen. Steeds weer afscheid moeten nemen van bewoners die je dierbaar zijn geworden. Steeds opnieuw. Soms zo snel achter elkaar. En je telt op je hand: zoveel alweer? Dan is er een korte herdenking. Daar ga je in je vrije tijd naar toe. Voor iedere bewoner die er niet meer is, gaat er een roos in een vaas. Meestal doet een familielid dat. Maar sommigen waren alles kwijt. Hun herinneringen èn hun dierbaren. Ze hadden alleen jou nog maar. En jij doet die roos in de vaas. En je schrikt. Wat een enorme bos rozen. Er zitten mensen in de zaal die huilen om één roos. Jij huilt om de hele bos. De volgende dag lach je weer. Je brengt een kopje thee, een aai over een bol en je raapt het knuffelbeest van mevrouw Ooievaar op. Want daar kan ze vanuit haar rolstoel niet meer bij. Van haar hele woordenvloed, waarin vast een bedankje zit, versta je geen woord. Maar die glimlach begrijp je. Ooit zorgde je voor mijn moeder. Nu zorg je voor moeders en vaders van anderen. Naamloos. Zonder lintje. En voor een salaris waar de laatste actie nog niet om gevoerd is. Maar ik ben jullie dankbaar. Ik bewonder jullie. Dat wilde ik jullie allemaal zo graag even vertellen.

Afdrukken