TERUG

Ochtend



"Merel! Kom je eruit? Je moet Laska uitlaten." We hebben een prima afspraak. Alle meiden hebben twee weken dienst bij de ochtendwandeling. Door weer en wind, sneeuw en voorjaarszon. Niet mopperen, want zo hebben we het afgesproken. Ik mag niet klagen. Ze gaan. Ze begroeten Laska zelfs enthousiast, doen haar de riem om en wandelen welgemoed het duister in. Maar ieder kind heeft zijn eigen ritueel. Merel zet haar wekker nooit. Die klapt haar bed uit, trekt wat kleren aan die daar van de vorige avond nog liggen en loopt als een zombie de dijk op. Halverwege, als Laska is uitgesnuffeld, wordt ze wakker en rent de ochtend tegemoet. "Heerlijk", blaast ze als ze terugkomt. Ze eet een broodje, neemt een kopje thee. Dan pas vertrekt ze fluitend naar de badkamer om zich op te knappen voor de fietstocht naar school. Kirsten is ook zo klaar. Als het nog koud is, houdt ze gewoon haar pyjama aan en trekt daar haar kleren overheen aan. Met een broodje in haar hand begroet ze ongewassen de dag. "Lekker warm", geniet ze, als ze stiekem de pijpen van haar pyjamabroek laat zien. Als we haar na terugkomst niet zouden herinneren aan zeep, tandpasta en washandjes, zou ze die pyjama waarschijnlijk de hele dag aanhouden. Maar Amber? Oef! Die zet haar wekker. Een half uur heeft ze minstens nodig. Ze moet zich eerst wassen, haar tanden moeten gepoetst en haar haar in de plooi. Amber laat zonder haarlak geen hond uit. Soms hoor ik haar om half zeven al scharrelen in de badkamer. "Je lijkt wel mal", vindt Merel. "Nee jullie dan", smaalt ze. "Dat jullie dat kunnen! Ongewassen de straat op. Jakkes." "Laska snuffelt in het gras en je komt heus niemand tegen die aan jou gaat snuffelen", lacht Merel. "En het is nog hartstikke donker. Geen hond die je ziet", meldt Kirsten. "Ik ga niet onverzorgd de deur uit", zegt Amber nuffig en inspecteert haar schoenen. Ze is zelfs in staat om daar nog even wat schoensmeer overheen te smeren. Drie kinderen, drie verschillende persoonlijkheidjes. Het doet me steeds weer verbaasd staan. Maar hoe dan ook, ze gaan. Voor dag en dauw, zonder gezeur. "Zou jij zo de deur uitgaan, mam?", vraagt ze, in de hoop wat steun te vinden. Ik hoor het maar half. Ik hoor 's ochtends alles maar half en smeer op de tast wat boterhammen. "Hoe?", vraag ik. Merel bekijkt mijn toestand kritisch en helder. Ze zegt: "Mam? Die zou zo de deur uitgaan, tegen de dijk in slaap vallen en voor tien uur de weg naar huis niet eens terug kunnen vinden!" Ze zit er niet ver naast. Hooguit een paar minuten...

Afdrukken