TERUG

Maan



Het kind zit aan tafel, haar hoofd ligt op haar mollige armpje. Je ziet haar denken: 'Wat blijft mijn moeder oeverloos kletsen. Wat een saaie boel.' Het is een heel gewoon kind. Ze gaapt. Haar moeder praat met mij. We drinken koffie en nemen samen de buurt door waaruit ik ben verhuisd. Wist je al dat die zijn huis heeft verkocht? En dat de schoonzus van een neef van huppeltjepup er nu woont? Ik woon in een dorp waar de autochtonen bijna allemaal via via verwant zijn aan elkaar. De allochtonen, zoals ik, leren snel bij. Is die ook familie van die? O juist, van de kouwe kant. Waar wonen ze dan? We tellen het dorp af. Het is dat huis naast het houten huis naast de hooiberg met dakpannen. Heb je hem? Oh, met dat smeedijzeren hekje? Ja, die. Bij de bushalte. De blauwe ogen van het kind zijn strak op onze monden gericht. Valt er een stilte? Dan mag ik. Ze heft haar hoofd op en deelt mee: "Ik ben heel dicht bij de maan geweest." Ik ben er even stil van. Haar moeder glimlacht. "Op een berg. In Griekenland. Héél dicht bij de maan." Ik zie het voor me. Dat kleine blonde kind, op een rotsblok, met blauwe ogen starend naar die enorme maan die de omgeving vaag verlicht. Er tjirpen krekels en het ruikt naar thijm en rozemarijn. De maan is zo dichtbij dat je denkt dat je hem kunt aanraken. "Daar is oma nu, hè mam?" Haar moeder knikt. Vast wel. Of nog iets verder weg. Maar wel zo ongeveer in die richting. Alleen kan oma je misschien niet horen, als je haar roept. Daarom bleef ze zwijgend kijken. Dichtbij is soms toch heel ver weg. "Kijk eens voor je", had de badmeester laatst tegen het kind geroepen, toen ze braaf haar baantjes schoolslag zwom. Het was zeven uur in de ochtend en ze lag met haar hoofd scheef naar boven om naar de ramen te kunnen kijken, die hoog in de muur nog iets van de lucht lieten zien. "Maar het is zo mooi buiten", had ze haar wonderlijke houding verdedigd. De badmeester keek om. Alle ouders die aan de kant de verrichtingen van hun kroost gadesloegen, keken ook. Ze had gelijk. Het morgenrood was nooit eerder zo intens geweest, zo vol nuances rood en oranje, zo warm en vol beloften voor een prachtige dag. Soms zit ze in de auto, kijkt naar de weilanden die bedekt zijn met een deken van nevel. Schapen en koeien lijken te zweven en het kind verzucht: "Prachtig." Het is een heel gewoon kind. Ze fietst, lacht, houdt van poffertjes en barbiepoppen. Maar toen ik laatst met de meiden in de stad liep en het kind tegenkwam, zei ik zachtjes, vol bewondering: "Dat is het kindje dat heel dicht bij de maan is geweest. Héél dicht."

Afdrukken