TERUG

Koplamp



We rijden door het dorp, Kirsten en ik. In de auto. Het is al donker en de sperziebonen moeten op. Ach, haast maak je niet op zo'n smalle weg. Ik sukkel met een gangetje van veertig, zodat alle honden, katten en kinderen nog makkelijk kunnen oversteken. Maar een paar meter verder zit er opeens een auto achter me. Het lijkt wel of de koplampen op mijn achterbank zitten. Ik controleer mijn snelheid. Misschien wel een beetje sukkelig? Vijftig dan maar. Koeien, blijf in je weiland. De koplampen schijnen fel in mijn spiegel. "Mam, die auto wil er langs", piept Kirsten angstig. "Volgens mij wil ie er overheen", knars ik van ergernis. Ik hou mijn snelheid, maar laat even met mijn voet op het rempedaal weten dat ik deze afstand niet prettig vind. De bestuurder schrikt en zakt meteen een heel stuk terug. Kirsten zucht opgelucht: "Gelukkig. Hij is weg." Niet voor lang. Binnen een tel zit hij weer bovenop mijn bumper. Alleen nu met groot licht. Agressie is een raar gevoel. Mijn adrenaline begint behoorlijk te stromen. "Zo'n knurft", scheld ik. En nog een paar woorden die niet geschikt zijn voor kinderoren. De knurft zakt terug, geeft gillend gas en raast langs op een stuk weg waar je dat met gezond verstand niet in je hoofd zou halen. Nu zit ik achter hem. Hij vliegt bij me vandaan. Altijd al piloot willen worden, waarschijnlijk. Ik repeteer dreigend zijn nummerbord en besef dat ik klakkeloos aanneem dat er een jonge knul in die auto zit. Mijn hoofd zit vol vooroordelen. De enige gedachte die nooit in mijn hoofd opkomt is: 'Zeker een vrouw achter het stuur'. Ik heb nog nooit een vrouw zo zien rijden. Bij het stoplicht staan we achter hem. Hij is geen meter opgeschoten. "Die ga ik even vertellen hoe ik erover denk", zeg ik. "Mam! Niet doen!", zegt Kirsten nog. Maar ik ben al op weg. Deze zal ik opvoeden. Hier dient opgetreden te worden. Ik klop en de bestuurder draait het raampje omlaag. Stomverbaasd staar ik hem aan. Het is een heer op leeftijd. Grijs haar. Keurige bril. Pak, overhemd en stropdas. "Goedenavond meneer", zeg ik. "Mag ik u vragen waarom u zo hinderlijk dicht achter me reed?" Het klinkt hartstikke vriendelijk. Ik hou al mijn agressie keurig binnen. "Omdat ik haast heb", zegt de man. Meteen raast hij weg, want het stoplicht is op groen gesprongen. Dus ik sta me even later te verbijten voor het rode licht. Het liefst had ik een enorme deuk in die auto getrapt. Dat is een griezelig gevoel. "Dat je dat durft! En dat je zo rustig blijft!", bewonderen de meiden me na het aanhoren van het avontuur. "Mama had hem zo een dreun gegeven", glundert Kirsten. Zij komt er nog het dichtst bij. Maar haar bewondering is misplaatst. Ik schaam me dood voor zoveel woede.

Afdrukken