TERUG

Koos



Veel te vroeg. Ik heb me weer voor niets gehaast. Nog dertien minuten, dan vertrekt mijn trein van het kale winderige perron om me terug te brengen naar mijn eigen stukje Nederland. Een akelig wachthok met besmeurde plastic stoeltjes lacht me niet bepaald uitnodigend toe. Dan maar liever buiten wachten. Ik loop het perron af tot ik een bankje tegenkom waarop een vrouw zit met een klein wit hondje aan een rood riempje. Naast haar staart een bejaarde heer peinzend naar de rails. Ik pas nog net naast hem en deel zwijgend zijn troosteloze uitzicht. Met: "U wacht op de trein", verbreekt hij de stilte. Het is geen vraag. Eerder een constatering. Ik knik. "U wilt hier weg", zegt hij vol begrip. Daar kijk ik van op. Natuurlijk wil ik daar weg. Ik woon er niet. "Ik zou ook wel weg willen...", voegt eraan hij toe. "Maar u gaat niet weg", begrijp ik. "Inderdaad..." Voorzichtig begluur ik de man van opzij. Hij kijkt onafgebroken naar de rails. "U woont hier?", vraag ik. Hij knikt: "Juist geformuleerd. Maar ik ben hier niet thuis. Daarom wacht ik." "Tot er een trein komt die u thuis brengt?" "Zo eenvoudig is het niet", zegt de man nors. Ik word heel nieuwsgierig van zulke mededelingen. Dus ga ik zitten vissen. Maar wel heel voorzichtig. Het wordt een wonderlijk vraag-en-antwoordspel. Wat is thuis? Niet hier. Waar dan wel? Wist hij het maar. Waarop wacht hij? Op een antwoord. Een antwoord waarop? "Op onmogelijke vragen", zucht hij. Nu heb ik iets verkeerds gezegd, denk ik. Ik heb hem geïrriteerd, misschien wel heel erg boos gemaakt. Maar dat blijkt mee te vallen. Hij staat met een ruk op, draait in mijn richting, maakt een lichte buiging en zegt: "Ik dank u recht hartelijk voor dit warme gesprek." "Niets te danken. Ik vond het heel prettig met u te mogen praten", antwoord ik vormelijk, omdat hij door de manier waarop hij me aankijkt, laat merken dat hij meer van me verwacht dan een knikje. Ik kijk hem na terwijl hij het perron afwandelt naar de uitgang. De vrouw met het witte hondje maakt een kort spottend geluid: "Malle Koos. Zo noemen ze hem hier. In de lente is het helemaal mis. Gelukkig, daar komt de trein al." Ik zoek een rustig plekje in een coupé helemaal voor mezelf. De trein dendert voort, bomen en struiken razen voorbij in een voorzichtig teergroen waas. Naar huis, naar huis, thuis, thuis, thuis, op het ritme van de trein. Ik heb een thuis en het wordt lente. Dat ik daar bewust van moet genieten, leerde ik vandaag van Koos. Het is goed dat er van tijd tot tijd een Koos op je pad komt. Dan word je weer nederig dankbaar voor alles wat zo gewoon lijkt.

Afdrukken