TERUG
HB
Mijn pa is in de tachtig en zit nog regelmatig met elastieken om zijn broekspijpen op een sportfiets. Dat is altijd leuk om te vertellen. Maar nu is hij een beetje moe. Hij lijkt wat kortademig. Voor de zekerheid naar de dokter? "Ik wil niet door de molen", wijst hij af. Dus niet naar de dokter. Want met die vage klachten zal er zeker een onderzoek volgen. Dit is wat anders dan een wrat op je grote teen. "Hij moet echt naar de dokter", waarschuwt iemand uit het huis waar pap aanleunt. "Hij ziet veel te bleek." "Ga wat meer naar buiten. Fietsen en wandelen", raad ik aan. Simpel advies natuurlijk. Weet ik veel. Ik geef hem een fles limonadesiroop met extra ijzer. Misschien is het een beetje bloedarmoede. Toe maar, pap. Flink drinken en een stevige scheut door de yoghurt. Als hij zich op een zondag echt doodmoe en beroerd voelt, gaan we de volgende dag toch maar naar het spreekuur. Er volgt een verwijsbrief voor bloedonderzoek, zodat pap een diepe rimpel trekt. Dit is het begin van die gewraakte molen. De middag na het bloedprikken gaat de telefoon. Ik krijg de huisarts aan de lijn, die bij pap geen gehoor krijgt. Pa heeft zo'n laag HB-gehalte dat hij onmiddellijk naar het ziekenhuis moet. "Pak maar een tas voor hem in, want hij moet vast en zeker blijven", raadt de arts aan. Ik rijd meteen naar pap, maar hij is niet thuis. Pa is op pad. Mijn advies opvolgen. Fietsen of wandelen met zo'n laag HB. Sufferd die ik ben. Ik pik hem op naast de kerk, op de terugweg van de supermarkt, waar hij boodschappen heeft gedaan. Hoe vertel ik het hem tactisch? "Je moet meteen naar het ziekenhuis, pap. De dokter heeft gebeld." Eén brok tact. "Dat vind ik helemaal niet leuk", is zijn enige commentaar. In de auto grapt hij al: "Dit is geen bloedarmoede meer. Ik ben gewoon een bloedeloze figuur." Om half drie 's middags worden we door een broeder op de Eerste Hulp begroet. Pap werd al verwacht. De molen komt langzaam maar zeker op gang. Foto's, prikken, apparaatje zus, onderzoekje zo en lijsten vol vragen. Ik ga mee de röntgen in en duik telkens netjes achter het muurtje, terwijl pap aan alle kanten wordt gefotografeerd. Dan gaat de pyjama aan, hij moet het ziekenhuisbed in en krijgt een infuus met bloed om dat HB omhoog te krijgen. En omdat hij een kamer alleen heeft, kunnen we net zo hard praten en lachen als we zelf willen. We puzzelen op de telefoon- en televisiekaart en al gauw ligt pap mijn broer en zus te bellen. Dit is nog eens nieuws! Hij maakt overal een grapje van en vraagt om de vijf minuten of hij al wat meer kleur krijgt op zijn wangen. Lachend neem ik afscheid. Om half acht ben ik thuis. Dan lach ik al lang niet meer. Ik vind het helemaal niks, een vader in pyjama. Ik wil een vader op een racefiets.
Afdrukken

