TERUG
Breien
"Ik ben er al heel goed in", zegt Kirsten ernstig en trekt de wollen draad nog eens extra strak aan. Ze breit een lapje. Het is een wonderlijk in elkaar gedraaid geval met vreemde gaten. Aan het eind van iedere pen krijg ik het gedrocht overhandigd. "Hoe moet het nu verder?" Dan draai ik het om, haal hier en daar een paar gevallen steken omhoog en werk zo de meeste gaten weer weg. Twee steken doe ik. Dan heeft ze het weer door en martelt verder. "Nu zit het echt vast", zucht ze na een tijdje. Dan mag ik even twee pennen breien om het weer los te maken. Want dit kind breit wel heel erg strak. Met moeite krijg ik de steken van de pen. De wol lijkt te krimpen door haar klamme handen. Doordat we al een tijdje om de beurt een paar pennen doen, zij heel vaste en ik losse steken, krijgt de lap het aanzien van een driedubbele zandloper. "Wat moet het eigenlijk worden", vraag ik na een tijdje. "Een knikkerzak", antwoordt ze optimistisch. Ik zie het eindprodukt somber tegemoet. En als ze de volgende dag de pennen uit haar tas trekt, zit het breiwerk er niet meer aan. "Het blijft steken", roept ze angstig en voor de zekerheid trekt ze maar eens flink aan een draad. Wat er nu te voorschijn komt, is nog niet de helft van wat ze eerst had. "Mam!" "Sufferd!" Overnieuw maar weer. Steek voor steek groeit iets. En ik denk aan juffrouw Van Eck, mijn oude handwerkjuf op de lagere school. We breiden met katoen. Rechttoe, rechtaan, heel veel lapjes. Het moest een beertje worden, bleek uit de breisels van klasgenoten met meer vaardigheid dan ik. Toen mijn beertje eenmaal gevuld was met stukjes schuimrubber, kwamen die dwars door de gaten heen. Blijkbaar breide ik toen al erg los. De babybroek die daarop volgde werd hard van de tranen die ik erboven huilde. Ik snapte geen zier van averecht, laat staan van een rand met gaatjes. Tot slot naaide ik onder haar bezielende leiding nog een wanstaltig schortje. Met de hand en onzichtbaar gezoomd. Jawel. Maar leuk? Nou, nee. Toch zou mijn oude juf trots zijn als ze zag wat ik de loop der jaren allemaal gebreid heb. Alleen afmaken is niet mijn sterkste kant. Er liggen nog veel onafgemaakte breisels te wachten. Daar heeft Kirsten blijkbaar geen last van. "Het gaat goed hè?", vraagt ze en zwoegt onverdroten door, het puntje van haar tong uit haar mond. Het schiet geen centimeter op, maar zij heeft er alle vertrouwen in. "Hoeveel knikkers zouden er nu in kunnen?", vraagt ze en vouwt het lapje dubbel. "Twee", schat ik somber. "Dan is ie bijna klaar", zegt deze onverbeterlijke optimist.
Afdrukken

