TERUG
Bonbons
"Er liggen bonbons in de koelkast." Dat bedenk ik midden in de nacht, half slapend, half wakend. Dan is een gang naar het toilet lang zo erg niet. Vol goede moed ga ik op pad. En pas als ik van het toilet afkom en de kamerdeur binnen wil gaan, zie ik schoenen. Vreemde schoenen in de gang. Grote maat ook. Niet van de meiden. Ik loop er verbaasd op af. Door het raam van de deur zie ik een fiets. Een onbekende fiets in de stromende regen. Ik aarzel met mijn blote voeten op de koude tegels. Achter de kamerdeur is alles donker en doodstil. Op die fiets en in die schoenen zat een knul. En het is heel waarschijnlijk dat die knul zich nu in de kamer bevindt. Op de tweezitsbank. Zo ergens halverwege de koelkast met de bonbons. Ik denk trouwens dat Merel die knul wel kent. Ik ken hem ook, maar lang niet goed genoeg om midden in de nacht te passeren, gekleed in slip en T-shirt. Hoe laat is het eigenlijk? Tijd voor een bonbon, snotverdorie. En voor Merel hoog tijd om te slapen. "Merel?", vraag ik. "Ja mam?", klinkt het onschuldig. "Zullen wij deze zitting maar opheffen?", stel ik voor. "Goed mam", zegt ze braaf. Ik klim naar boven. Als ik weer in bed lig, hoor ik zachte stemmen in de gang, een deur die heel behoedzaam open en dicht gaat en sluipende stappen op de trap. Water in de badkamer, het geluid van een tandenborstel. Ik lig weer lekker, maar die bonbons! Er zijn witte bij, met geheimzinnige donkerbruine streepjes. En ik weet nog steeds niet wat daar in zit. Heel grote bonbons, die je in lagen kunt afhappen. Die je in je wang mee naar bed kunt nemen en langzaam kunt laten oplossen, zodat je schuldig weet dat je eigenlijk je tanden zou moeten poesten. Maar indommelen met een bonbon in je wang! Er is toch eigenlijk niets heerlijkers? Ik soes weg, te slaperig om nu nog naar beneden te gaan. Zonder bonbon. Maar uiteindelijk ben ik beter af dan die jongen, die nu door regenvlagen in het donker naar huis fietst. Dat geeft toch een beetje troost. De volgende ochtend besteden we er weinig woorden aan. Ik informeer hoe laat het was, vannacht. En ze antwoordt iets vaags, ergens tussen twee en drie uur. "Er lagen bonbons in de koelkast", brom ik. Ze grijnst. Ze had verwacht dat ik woest was vanwege het nachtelijk samenzijn op de tweezits. Niet vanwege het feit dat ik niet bij de koelkast kon. Dus durft ze ook wel te zeggen dat ze zich te pletter geschrokken zijn, vannacht. Net goed. Bij daglicht smaken bonbons heel anders. Hoe erg ze geschrokken zijn, blijkt uit de kaart die het vriendje haar een paar dagen later stuurt. Er staat op: 'Jij doet mijn hart sneller slaan. En je moeder ook!'
Afdrukken

