TERUG
Amsterdammer
Ik neem een taxi, bedenk ik al in de trein. Want voor ik door heb hoe die trams rijden in Amsterdam, kom ik misschien te laat. Of op tijd, wat voor mij net zo erg is. Ik ben overal een half uur te vroeg. Minstens. Net voor mijn neus rijdt de laatste taxi weg. Ik wacht netjes langs de stoeprand. Naast me arriveert een groep Japanse heren. Drie stuks met veel koffers en camera's. Ze kwetteren hun onbegrijpelijke klanken als een groepje mussen dat neerdaalt op de resten van je brood, wijzen om zich heen en wanen zich de enigen die een taxi willen. Ze zien me niet staan. Ik zie er in hun ogen niet uit als iemand die op een taxi staat te wachten. Ook niet in de ogen van de taxichauffeur die aan komt rijden, trouwens. Die kart vlak voor me langs en stopt voor de Japanners. Ha! Dat pik ik niet! Ik trek een sprint, ruk de voordeur open van de auto en stap in, vlak voor de neus van de drie verbaasde heren die net hun koffers oppakken. Ze barsten in lachen uit en ik zwaai ze vriendelijk na. Daarna meld ik de chauffeur waar ik zijn moet. "Ik was eerst", leg ik uit. "Dat kan ik natuurlijk niet zien", zegt de man narrig. Nee, dat is waar. Ik zwijg schuldig. Eigenlijk verwachtte ik een glimlach of misschien zelfs een complimentje voor mijn daadkrachtige optreden. Maar ik zit. Knappe jongen die me er weer uit krijgt. "Heerlijke stad", zeg ik, keurend om me heen kijkend naar zoveel verschillende mensen, drukte en terrassen. "Daar hebben ze ook weer een afschuwelijke gevel neergezet", wijst de man bestraffend. Hij heeft gelijk. Veel blauw glas en staal. Afschuwelijk tussen al die oude panden. "Maar die drukte vind ik heerlijk", probeer ik. "Het verloedert. Het is afschuwelijk. Drugs, troep, roof, moord en diefstal", zegt de man dwars. "Misschien ook wel een beroep met risico, taxichauffeur", zeg ik vol begrip. "Niet meer risico dan een willekeurige sigarenhandelaar, kroegbaas of winkelier. Niet in Amsterdam", moppert de man. Hij schakelt zuchtend en draait de trambaan op. Dit wordt geen gezellig gesprek. Dat snap ik al lang. "Ik ben blij dat ik in een dorp woon. En als ik een miljoen win, zien ze me hier nooit meer terug", voegt de man nog toe. Sja, ik ben ook een tevreden dorpsbewoner. Maar Amsterdam vind ik van tijd tot tijd best leuk. "Je maakt wel iedere dag wat mee", zeg ik in een poging nog een sprankje optimisme te vinden. "Allemaal dingen die ik liever niet meemaak", zucht de man. Hij stopt en wijst op het terras waar ik straks een afspraak heb voor een interview. Ik reken af mèt tip. "Voorschotje op het miljoen", lach ik. Hij wacht zwijgend tot ik de auto uitvlucht. Zouden Japanners grotere fooien geven?
Afdrukken

