TERUG
Geitenwollen sokken
Geitenwollen sokken
Ik had een minnaar, ene Jacob Dijkema.
Niks mis mee, lekker lijf en mooie tanden.
Waarmee ik lachte, dronk en heel tevreden vree.
Maar elke keer als wij in bed belandden.
Dan hield hij sokken aan.
Zijn geitenwollen sokken.
En ondanks mijn verzoek.
Heeft hij ze nooit eens uitgetrokken.
Mijn minnaar Jacob, ach, ik heb hem vaak gesmeekt.
Dat ik zijn hele naakte lijf zo graag wou voelen.
Want bij de kriebel van die ruige geitenwol.
Voel ik de lust tot liefdesspel zo snel verkoelen.
Hij hield zijn sokken aan.
Zijn geitenwollen sokken.
Niet eenmaal kon ik hem.
Tot uittrekken verlokken.
O, lieve Heer.
Is dit een wormgezwel?
Met beenspat, klauwzeer, pootrot, nageltorren?
U weet het al.
Nou ik kan het niet zien.
Hij draagt nog steeds die geitenwollen lorren.
Op zeekre avond begoot ik hem met cointreau.
En was van plan hem dan van tot een te likken.
Hij was verlamd van opwinding en smeekte mij.
Nee, niet mijn voeten, ik ben bang dat je zult schrikken.
Ik trok zijn sokken uit.
Zijn geitenwollen sokken.
En eerlijk waar.
Ík ben me rot geschrokken.
Bazuingeschal.
Welk wonderbaarlijk lot.
Heeft zich aan Jacob Dijkema voltrokken.
Al staat hij naakt.
Voor 't aanschijn van zijn Heer.
Toch draagt hij nog zijn geitenwollen sokken.

