TERUG

Behaatje


Tekst: Marjan van den Berg
Muziek: Wim Budding
Uitvoering: Henny Weel

BEHAATJE

Dag mevrouw, kan ik u helpen?
Tachtig B of tachtig C.
Zullen we maar even passen?
Loopt u dan maar even mee.
Met een beugel of een kantje,
Sexy, sport of heel gewoon.
Past u deze voor het maatje,
Nou, die zit toch wonderschoon.
Ja, die bandjes kunnen losser,
Zie je ook die vetrol niet.
Heeft ook wel een prettig prijsje,
Zoals u op 't kaartje ziet.
Mag ik nog heel even kijken?
Dat kleurt prachtig bij uw huid.
Wilt u nu voorzichtig bukken?
Mooi, ze rollen er niet uit.

Twee maal per jaar heb ik er eentje nodig.
Twee maal per jaar staar ik stokstijf,
Naar al dat kippevel daar in de spiegel.
Een juffrouw rommelt blote bovenlijf.
Ik haat dat lijf.
Ik haat dat mens.
Intens.
Ik haat je.
Ik moet weer een behaatje.

Een potteuze vijftigplusser,
Aait mijn zij en mijn satijn.
En zegt drie octaven lager:
'Laat maar open dat gordijn.'
Kan ik hier nog uit ontsnappen?
God wat is dat hok benauwd.
Hijgend zie ik in de spiegel,
Kippevel en schoonheidsfout.
En de Heer zendt visioenen,
van een forse bruine vent.
Die met lange slanke vingers,
Al mijn nekwervels verkent.
Ieder haakje, ieder bandje,
Volgt hij met zijn vingertop.
Heel goed wasbaar, zegt hij teder,
Met de hand in lauwwarm sop...

Twee maal per jaar betreur ik voor de spiegel,
Die lingerietrut waar ik niet om vroeg.
Waar is die man met donkerbruine krullen,
Die iets te ver gaat maar nooit ver genoeg?
Ik haat dat lijf.
Ik haat dat mens.
Intens.
Ik haat je.
Ik moet weer een behaatje.